ECLI:NL:RBDHA:2026:7237
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De aanvraag werd ingediend op 28 oktober 2024, terwijl de minister uiterlijk op 26 april 2025 had moeten beslissen. De minister heeft de beslistermijn met drie maanden verlengd, maar heeft desondanks niet binnen deze termijn een besluit genomen.
De rechtbank stelt vast dat het beroep tijdig is ingesteld en kennelijk gegrond is. De minister hanteert het fifo-principe, waardoor de aanvraag pas in november 2027 in behandeling wordt genomen. De rechtbank acht dit geen reden om af te wijken van de door de Afdeling bestuursrechtspraak vastgestelde redelijke beslistermijnen.
De rechtbank legt de minister op binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek wordt aangekondigd. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd bij overschrijding van deze termijn. Het verzoek van eisers tot vaststelling van een bestuurlijke dwangsom wordt afgewezen vanwege de nieuwe wetgeving. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van €467.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen en legt een termijn en dwangsom op aan de minister.