ECLI:NL:RBDHA:2026:7242
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht toegewezen.
De aanvraag werd ingediend op 22 oktober 2024, met een beslistermijn van 90 dagen die met drie maanden werd verlengd, waardoor uiterlijk 22 april 2025 een besluit had moeten worden genomen. Deze termijn is verstreken zonder besluit, waarna eisers op 2 mei 2025 rechtsgeldig ingebreke hebben gesteld en op 3 september 2025 beroep instelden. Dit beroep is tijdig en kennelijk gegrond.
Verweerder hanteert het fifo-principe, waardoor de aanvraag pas in november 2027 in behandeling zou worden genomen. De rechtbank acht dit een bijzonder geval en legt een termijn van acht weken op waarbinnen een besluit moet worden genomen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd.
De rechtbank wijst het verzoek tot vaststelling van een bestuurlijke dwangsom af omdat deze niet van toepassing is volgens de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van €467. De uitspraak is gedaan door rechter J.F.I. Sinack op 30 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.