ECLI:NL:RBDHA:2026:7244
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf
Eiseres heeft op 18 oktober 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De rechtbank heeft op 9 januari 2025 het eerste beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.
Ondanks deze uitspraak heeft verweerder geen besluit genomen, waarop eiseres op 3 september 2025 opnieuw beroep instelde. De rechtbank verklaart dit tweede beroep ontvankelijk en gegrond, omdat verweerder wederom niet heeft beslist binnen de gestelde termijn.
De rechtbank draagt verweerder op binnen twee weken na deze uitspraak alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom van € 200 per dag op bij overschrijding, met een maximum van € 15.000. Het verzoek van eiseres om een nieuwe bestuurlijke dwangsom vast te stellen wordt afgewezen, omdat de eerdere dwangsom nog van kracht is.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 467. De uitspraak is gedaan door rechter J.F.I. Sinack en openbaar gemaakt op 30 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen met oplegging van een dwangsom.