ECLI:NL:RBDHA:2026:7342
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep wegens niet tijdig besluit op aanvraag machtiging voorlopig verblijf voor gezinshereniging
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn moeder, zus en broertje in het kader van gezinshereniging en nareis. De minister van Asiel en Migratie heeft niet binnen de wettelijke termijn van 90 dagen, verlengd met drie maanden, een besluit genomen. De rechtbank stelt vast dat de minister op 6 juni 2025 rechtsgeldig in gebreke is gesteld en het beroep op 3 november 2025 tijdig is ingediend.
De rechtbank oordeelt dat het niet tijdig nemen van een besluit gelijkstaat aan een besluit en verklaart het beroep gegrond. Gelet op de aard van de aanvraag en jurisprudentie wordt een termijn van acht weken opgelegd waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor het overschrijden van deze termijn.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht van €194 en de proceskosten van €467. De uitspraak is gedaan door rechter A.C.J. van Dooijeweert en openbaar gemaakt op 30 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een termijn en dwangsom op voor het alsnog nemen van een besluit.