ECLI:NL:RBDHA:2026:7379
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep wegens niet tijdig besluit gezinshereniging
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging voor zijn moeder en zussen. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank oordeelt dat het beroep tijdig en kennelijk gegrond is omdat de beslistermijn van 90 dagen, verlengd met drie maanden, is overschreden zonder dat een besluit is genomen.
De rechtbank legt op grond van de Algemene wet bestuursrecht een termijn van acht weken op waarbinnen verweerder een besluit moet nemen, met de mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek nodig is en schriftelijk wordt meegedeeld. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 bij overschrijding van deze termijn.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht van €194 en de proceskosten van €467. De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin de zorgvuldigheid en redelijke beslistermijnen bij gezinshereniging worden benadrukt. De uitspraak is gedaan door rechter A.C.J. van Dooijeweert op 31 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een termijn en dwangsom op aan de minister voor het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gezinshereniging.