Eiser heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn had beslist op zijn asielaanvraag van 19 maart 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde termijn van twee weken alsnog een besluit heeft genomen.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Gelet op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het overschrijden van de bovengrens van 21 maanden, bepaalt de rechtbank dat de minister binnen een termijn van vier weken na deze uitspraak een besluit moet nemen. Deze termijn is korter dan het standaard 8+8 wekenmodel vanwege een reeds gehouden nader gehoor op 9 oktober 2025.
De rechtbank legt een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.