ECLI:NL:RBDHA:2026:7540
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag tot het verlenen van een machtiging voor voorlopig verblijf om bij haar zoon te verblijven. De aanvraag werd ingediend op 10 november 2023, terwijl de minister uiterlijk op 8 mei 2024 had moeten beslissen. Deze termijn is verstreken zonder besluit.
De rechtbank stelt vast dat verweerder rechtsgeldig in gebreke is gesteld op 2 oktober 2024 en 1 augustus 2025, waarna het beroep op 12 oktober 2025 tijdig is ingediend. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en legt op grond van de Algemene wet bestuursrecht een termijn van acht weken op waarbinnen verweerder een besluit moet nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 1 april 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen en legt een termijn en dwangsom op aan de minister.