ECLI:NL:RBDHA:2026:7568
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf gezinshereniging
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvragen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor hem en zijn gezin in het kader van gezinshereniging. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, had op grond van de Vreemdelingenwet 2000 binnen 90 dagen moeten beslissen, met een verlenging van drie maanden, waardoor uiterlijk 24 juli 2025 een besluit had moeten worden genomen.
De rechtbank constateert dat verweerder deze termijn heeft overschreden en dat het beroep tijdig is ingesteld na een rechtsgeldige ingebrekestelling. De rechtbank acht het beroep kennelijk gegrond en stelt een nadere beslistermijn vast van acht weken, met een mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor het overschrijden van deze termijn. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 1 april 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een nadere beslistermijn en dwangsom op aan verweerder wegens niet tijdig beslissen.