ECLI:NL:RBDHA:2026:7569
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf gezinshereniging
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor zichzelf en zijn twee kinderen in het kader van gezinshereniging bij een referent.
De minister van Asiel en Migratie heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van 90 dagen, verlengd met drie maanden, een besluit genomen. De rechtbank stelt vast dat de minister op 27 juni 2025 rechtsgeldig in gebreke is gesteld en dat het beroep op 9 december 2025 tijdig is ingediend.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en legt op grond van artikel 8:55d van de Awb een termijn van acht weken op waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met een mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd bij overschrijding van deze termijn.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht van €194 en de proceskosten van €467. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp en openbaar gemaakt op 1 april 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een termijn en dwangsom op voor het nemen van een besluit op de aanvraag machtiging voorlopig verblijf.