Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Procesverloop
Overwegingen
“ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld.”. De zoon en de dochter voldoen aan deze criteria. Voor wat betreft de definitie van ‘vreemdeling’ wordt er dus geen onderscheid gemaakt tussen meerderjarigen of minderjarigen.
“Voordat de vreemdeling op grond van artikel 59, 59a of 59b van de Wet in bewaring wordt gesteld, wordt hij gehoord”. Bezien in samenhang met artikel 1 Vw Pro 2000 hadden de zoon en de dochter, voorafgaand aan de bewaring, dus moeten worden gehoord.
Voor de toepassing van deze verordening is de situatie van de minderjarige die de verzoeker vergezelt en onder de definitie van gezinslid valt, onlosmakelijk verbonden met de situatie van diens gezinslid; die situatie valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van dat gezinslid, ook al is de minderjarige zelf geen individuele verzoeker, mits dit in het belang van de minderjarige is. Kinderen die na de aankomst van de verzoeker op het grondgebied van de lidstaten zijn geboren, krijgen dezelfde behandeling, zonder dat een nieuwe procedure voor hun overname behoeft te worden ingeleid.”. De minister verwijst ook naar de jurisprudentie van de Afdeling van 11 december 2013 [2] , waarin wordt overwogen dat artikel 12 IVRK Pro alleen vereist dat het kind zelf wordt gehoord, in geval van tegengestelde belangen tussen het kind en zijn ouders.
“De Staten die partij zijn, verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.”. Kortom, het recht de mening te geven heeft betrekking op
alleaangelegenheden die het kind betreffen. Er is geen limitatieve opsomming en “alle aangelegenheden” omvat dus per definitie een aan het kind op te leggen maatregel, maar kan ook meer dan dat omvatten. Dit blijkt ook uit paragraaf 26 van de General Comments [5] : ”
het kind moet worden gehoord als het onderwerp dat ter discussie staat hem of haar aangaat. Deze basisvoorwaarde moet worden gerespecteerd en ruim worden opgevat.”.
dat uit artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 12 van Pro het Kinderrechtenverdrag, wel een verplichting volgt voor de minister om begeleide minderjarige vreemdelingen die in staat zijn hun mening te vormen binnen de Dublinprocedure in de gelegenheid te stellen hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid.”