Eiser heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ontvangen, die de minister met terugwerkende kracht heeft ingetrokken vanwege een onherroepelijke veroordeling tot veertig maanden gevangenisstraf voor een gewelddadige verkrachting gepleegd in 2016.
De minister baseert de intrekking op het criterium van een bijzonder ernstig misdrijf en het gevaar dat eiser vormt voor de openbare orde, conform het arrest M.A. van het Hof van Justitie en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. De rechtbank oordeelt dat de minister de aard en ernst van het misdrijf, de strafmaat, de opzettelijkheid, de schade aan het slachtoffer en de strafprocedure voldoende heeft meegewogen.
Eiser betwist dat zijn misdrijf als bijzonder ernstig moet worden aangemerkt en voert aan dat alleen terrorisme en moord daartoe behoren. De rechtbank wijst dit af en bevestigt dat ook andere misdrijven, zoals verkrachting met geweld en letsel, bijzonder ernstig kunnen zijn.
Daarnaast stelt de minister dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de samenleving, mede vanwege zijn ontkennende houding, het ontbreken van een lange periode van goed gedrag en recente veroordelingen. De rechtbank volgt dit oordeel en verwerpt het betoog van eiser over het ontbreken van recidivegevaar en positieve gedragsverandering.
De rechtbank beoordeelt ook het evenredigheidsbeginsel en concludeert dat de intrekking proportioneel is, het belang van de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser, en dat eiser geen familieleven of sterke banden met Nederland heeft opgebouwd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning, de afwijzing van de aanvraag voor onbepaalde tijd en het besluit tot signalering blijven in stand.