ECLI:NL:RBDHA:2026:8201
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met intrekking besluit
Eiser diende op 13 juni 2022 een asielaanvraag in. Na een vertraagde overdracht in het kader van de Dublinprocedure werd Nederland verantwoordelijk voor de behandeling vanaf 21 januari 2023. De minister besloot op 23 augustus 2024 de aanvraag af te wijzen, maar erkende later een motiveringsgebrek en trok het besluit in. Eiser handhaafde het beroep tegen het niet tijdig beslissen en tegen het intrekkingsbesluit.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond is omdat de beslistermijn van zes maanden was verstreken zonder geldige verlenging. Het beroep tegen het ingetrokken besluit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. De rechtbank bepaalde dat de minister binnen twee weken alsnog een besluit moet nemen en stelde een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €7.500,- vast voor het geval van overschrijding.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.401,-. De uitspraak werd gedaan door rechter F.M.E. Schulmer en griffier A.A.M.J. Smulders op 3 april 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is gegrond verklaard, het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, en de minister is opgedragen binnen twee weken een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.