Eisers hebben beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn had beslist op hun asielaanvragen van 4 augustus 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eisers gestelde aanvullende termijn van twee weken heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Zij verwijst naar het '8+8 wekenmodel' zoals gehanteerd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar stelt dat in gevallen waarin de maximale beslistermijn van 21 maanden wordt overschreden een kortere termijn passend is. Daarom legt de rechtbank een beslistermijn op van acht weken na het verstrijken van de 21 maanden, zijnde uiterlijk 29 juni 2026.
De rechtbank overweegt dat deze termijn voldoende ruimte biedt voor een zorgvuldige besluitvorming en niet onnodig lang is. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eisers, vastgesteld op € 467,-.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. De minister wordt opgedragen uiterlijk op 29 juni 2026 alsnog een besluit te nemen op de asielaanvragen, onder dreiging van de opgelegde dwangsom.