ECLI:NL:RBDHA:2026:880

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
24/8493
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 ZWArt. 30a ZWArt. 33 ZWArt. 45 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herziening en terugvordering Ziektewet-uitkering door UWV

Eiser ontving sinds mei 2023 een Ziektewet-uitkering die per 4 maart 2024 werd beëindigd wegens herstel. Het UWV herzag de uitkering voor de periode 22 januari tot 3 maart 2024 en vorderde een te veel betaalde uitkering van €2.140,82 terug. Eiser betwistte dit en stelde dat het UWV nalatig was en dat hij tijdig had doorgegeven dat hij werk had gevonden.

De rechtbank overwoog dat eiser bewust koos om geen directe herstelafspraak te maken en zijn uitkering als financiële zekerheid wilde behouden. Zijn lichamelijke klachten bevestigden dat hij nog niet volledig hersteld was. Het UWV had de uitkering correct herzien op basis van werkelijke inkomsten, ondanks een administratieve fout in de loonberekening.

De rechtbank vond geen dringende reden om van terugvordering af te zien, mede omdat een betalingsregeling was getroffen. De enkele fout van het UWV rechtvaardigt geen ontheffing van terugvordering. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de herziening en terugvordering van de Ziektewet-uitkering door het UWV.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8493

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv)

(gemachtigde: B.M. de Wolff).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van zijn uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Eiser is het daar niet mee eens. Hij vindt dat het niet aan hem is te wijten dat het Uwv hem te veel Ziektewet- uitkering heeft betaald, dit komt juist door de nalatigheid van het Uwv. Aan de hand van wat eiser in beroep tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming van het Uwv juist is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluitvorming juist is en dat het Uwv terecht de uitkering van eiser heeft herzien en teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en zijn beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser ontving sinds 3 mei 2023 een uitkering op grond van de ZW. Met ingang van 4 maart 2024 is zijn uitkering beëindigd omdat hij hersteld werd geacht. In het besluit van 14 mei 2024 (primair besluit I) heeft het Uwv het recht van eiser op een uitkering voor wat betreft de periode van 22 januari 2024 tot en met 3 maart 2024 herzien en lager vastgesteld. In het tweede besluit van 21 mei 2024 (primair besluit II) heeft het Uwv de te veel betaalde uitkering van bruto € 2.140,82 van eiser teruggevorderd.
2.1.
Met het bestreden besluit op bezwaar van 18 september 2024 heeft het Uwv de primaire besluiten gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en verweerder deelgenomen.

Gronden eiser

3. Eiser voert aan dat het feit dat te veel uitkering is betaald niet zijn schuld is, maar dat dit te wijten is aan het Uwv. Hij stelt dat hij tijdens zijn uitkering tijdig aan zijn contactpersoon van het Uwv heeft doorgegeven dat hij werk had gevonden en zijn uitkering wilde laten stopzetten. Zijn contactpersoon zou hier een melding van maken en het intern doorgeven. Eiser heeft zijn contactpersoon meermaals proberen te bereiken hierover, maar kreeg geen reactie. Doordat hij een brieft heeft ontvangen waarin stond dat zijn uitkering herbekeken zou worden, heeft hij bij verdere uitbetalingen niet stilgestaan bij de vraag of zijn uitkering was stopgezet of niet. Daarnaast is hij door de terugvordering in de problemen gekomen en zit hij in een moeilijke positie wat betreft zijn levensomstandigheden.

Standpunt verweerder

4. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de herziening en terugvordering juist zijn en licht dit als volgt toe.
Eiser heeft op 22 januari 2024 aan het Uwv doorgegeven dat hij een baan heeft gevonden en een proeftijd heeft tot eind februari. Hij wilde op dat moment nog geen herstelafspraak maken, omdat hij zekerheid wilde hebben dat het contract verlengd wordt. Er is met eiser afgesproken dat zijn inkomsten worden verrekend met de uitkering. Als na een maand zou blijken dat hij het werk goed kan volhouden, dan zou alsnog een herstelafspraak worden gemaakt. Uit de door eiser overgelegde mailwisselingen in bezwaar blijkt dat hij meermaals contact heeft gehad over de betalingen van zijn uitkering en het al dan niet stoppen hiervan. Uit deze stukken blijkt ook dat hij op 13 februari 2024 nog steeds lichamelijke klachten had en iedere dag bekeek hoe het ging met werk. Het Uwv is daarom van mening dat de uitkering terecht is doorbetaald, onder verrekening van inkomsten. Eiser was immers nog niet volledig hersteld. Op 4 maart 2024 is de werkhervatting geëvalueerd en de ziekmelding definitief stopgezet.
4.1.
Met het besluit van 9 februari 2024 is aan eiser bevestigd dat zijn inkomsten uit arbeid in mindering worden gebracht op zijn uitkering. Per abuis is in deze brief het bruto uurloon als inkomen per dag weergegeven. Hierdoor heeft het Uwv te weinig inkomsten in mindering gebracht. Uit controle van de polisadministratie is gebleken dat eiser in de periode van 22 januari 2024 tot en met 3 maart 2024 meer inkomsten heeft ontvangen dan waar het Uwv rekening mee gehouden heeft. Met het besluit van 14 mei 2024 heeft het Uwv de hoogte van de uitkering herzien op basis van de werkelijke inkomsten. Gebleken is dat eiser vanaf 29 januari 2024 dusdanig hoge inkomsten had, dat de uitkering niet tot uitbetaling had moeten komen. Het Uwv is dan ook van mening dat het voor eiser redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij te veel uitkering betaald kreeg.
4.2.
Het Uwv stelt verder dat geen sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Dat eiser door de terugvordering in de problemen komt, wordt volgens het Uwv niet nader onderbouwd. Op 14 juni 2024 is er met eiser een betalingsregeling afgesproken van € 100,- per maand. Met deze betalingsregeling wordt voldoende rekening gehouden met zijn financiële situatie.

Beoordeling door de rechtbank

Had de uitkering eerder beëindigd moeten worden?
5. De rechtbank moet beoordelen of de uitkering niet eerder dan 4 maart 2024 hoefde te worden beëindigd.
5.1.
De rechtbank overweegt dat eiser ervoor heeft gekozen om niet meteen een herstelafspraak te maken nadat hij het Uwv op 22 januari 2024 had geïnformeerd over zijn nieuwe baan. Daarnaast heeft eiser aangegeven zekerheid te willen over de verlenging van zijn contract. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat eiser zijn uitkering graag wilde behouden als financiële zekerheid in de tussentijd. Eiser heeft in elk geval niet expliciet aangegeven dat hij de uitkering per direct wilde beëindigen.
5.2.
Dat eiser stelt dat hij ervan uitging dat zijn uitkering beëindigd zou worden nadat hij het Uwv had geïnformeerd over zijn nieuwe baan, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Dat hij later nog aangeeft lichamelijke klachten te hebben (schouder en hart), toont volgens de rechtbank eveneens aan dat zijn uitkering terecht is doorbetaald. Hij was immers op dat moment nog niet hersteld verklaard. Voor het oordeel dat de uitkering eerder dan 4 maart 2024 had moeten worden beëindigd, bestaat dan ook geen grond. Daar komt bij dat, zelfs indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat het Uwv in deze een fout heeft gemaakt, dit niet automatisch ertoe leidt dat eiser het onverschuldigd betaalde bedrag mag houden, waarover hieronder meer.
Is sprake van een dringende reden om van terugvordering af te zien?
6. De rechtbank moet beoordelen of sprake is van een dringende reden op grond waarvan het Uwv van terugvordering had dienen af te zien.
6.1.
Artikel 33, eerste lid, van de ZW bepaalt dat het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv wordt teruggevorderd. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kunnen dringende redenen om van terugvordering af te zien slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die de terugvordering voor een verzekerde heeft. Van een dringende reden kan slechts worden gesproken als de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties heeft voor de betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. [1]
6.2.
De rechtbank is niet gebleken dat in het geval van eiser sprake is van een dringende reden op grond waarvan kan worden afgezien van terugvordering. Eiser heeft zijn standpunt dat hiervan sprake is, niet onderbouwd. Met de betalingsregeling die is afgesproken met eiser wordt voorkomen dat de terugvordering onaanvaardbare (financiële) gevolgen met zich meebrengt. Het enkele feit dat het Uwv bij wijze van vergissing het bruto uurloon als bruto dagloon heeft verwerkt en daardoor te weinig inkomsten in mindering heeft gebracht, maakt het voorgaande niet anders. Zoals de CRvB oordeelde in de uitspraak van 16 maart 2011 levert de enkele omstandigheid dat door het Uwv een fout is gemaakt nog geen dringende reden op om af te zien van terugvordering. [2] De fout is de oorzaak van de terugvordering en behoort niet tot de gevolgen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5025.