Uitspraak
OVERWEGINGEN
14 augustus 2012 en verlaagd tot € 16.428,52.
.
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was ziek gemeld op 27 oktober 2011 en ontving toen een WW-uitkering. Het UWV stelde later vast dat zij vanaf 26 januari 2012 recht had op een Ziektewet-uitkering, die zij onverschuldigd ontving. Het UWV vorderde deze uitkering terug, maar beperkte de terugvordering na bezwaar tot de periode 26 januari 2012 tot 14 augustus 2012.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, ook niet vanwege haar psychische klachten. Appellante stelde in hoger beroep dat de terugvordering deels moest worden verminderd omdat het bedrag hoger was dan het loon dat zij uiteindelijk van haar ex-werkgever ontving.
De Raad overwoog dat het UWV verplicht is onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen, tenzij dringende redenen aanwezig zijn. Dringende redenen zijn alleen aanwezig bij onaanvaardbare sociale of financiële consequenties. De Raad vond geen aanleiding om van terugvordering af te zien, ook niet vanwege de psychische klachten van appellante die al bestonden vóór de terugvordering.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigd betaalde Ziektewet-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.