ECLI:NL:RBDHA:2026:8829
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op invordering dwangsom wegens overtreding APV artikel 2:74
Eiser werd op 16 oktober 2023 een last onder dwangsom opgelegd wegens het kennelijke doel om drugs te verhandelen op de weg, zoals verboden in artikel 2:74 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Den Haag. De last werd in rechte bevestigd op 13 februari 2025. Op 22 maart 2024 constateerde de politie dat eiser de last overtrad door meerdere korte stops te maken waarbij personen met uiterlijke kenmerken van harddrugsgebruikers instapten. Bij eiser werd een aanzienlijk bedrag aan contant geld in kleine coupures aangetroffen, maar geen drugs.
Verweerder besloot de dwangsom van € 2.500,- in te vorderen, wat door eiser werd bestreden met het argument dat er onvoldoende bewijs was voor drugshandel en dat het geld afkomstig was van casinowinst. De rechtbank oordeelt dat de overtreding van de last vaststaat, mede gelet op de gedragingen van eiser en het geldbedrag. De rechtbank wijst erop dat de aanwezigheid van drugs niet vereist is voor overtreding van artikel 2:74 APV Pro.
De rechtbank acht het belang van invordering van de dwangsom zwaarwegend en ziet geen bijzondere omstandigheden die invordering zouden kunnen verhinderen. Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat hij het griffierecht niet terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de invordering van de dwangsom wegens overtreding van artikel 2:74 APV wordt ongegrond verklaard.