Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8829

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
SGR 25/4
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:74 APVArt. 5:37 AwbArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op invordering dwangsom wegens overtreding APV artikel 2:74

Eiser werd op 16 oktober 2023 een last onder dwangsom opgelegd wegens het kennelijke doel om drugs te verhandelen op de weg, zoals verboden in artikel 2:74 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Den Haag. De last werd in rechte bevestigd op 13 februari 2025. Op 22 maart 2024 constateerde de politie dat eiser de last overtrad door meerdere korte stops te maken waarbij personen met uiterlijke kenmerken van harddrugsgebruikers instapten. Bij eiser werd een aanzienlijk bedrag aan contant geld in kleine coupures aangetroffen, maar geen drugs.

Verweerder besloot de dwangsom van € 2.500,- in te vorderen, wat door eiser werd bestreden met het argument dat er onvoldoende bewijs was voor drugshandel en dat het geld afkomstig was van casinowinst. De rechtbank oordeelt dat de overtreding van de last vaststaat, mede gelet op de gedragingen van eiser en het geldbedrag. De rechtbank wijst erop dat de aanwezigheid van drugs niet vereist is voor overtreding van artikel 2:74 APV Pro.

De rechtbank acht het belang van invordering van de dwangsom zwaarwegend en ziet geen bijzondere omstandigheden die invordering zouden kunnen verhinderen. Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat hij het griffierecht niet terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de invordering van de dwangsom wegens overtreding van artikel 2:74 APV wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L. Windhorst),
en

de burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigden: R.M. Noppers en mr. M.N.D. Snel).

Procesverloop

1.1.
Bij besluit van 2 augustus 2024 heeft verweerder € 2.500,- aan verbeurde dwangsom ingevorderd. Op 14 augustus 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.2.
Bij bestreden besluit van 25 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser afgewezen.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. Op 16 oktober 2023 is door verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd voor overtreding van artikel 2.74 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Den Haag (APV), inhoudende dat eiser moet stoppen met het op de weg begeven met het kennelijke doel om drugs te verhandelen. Eiser heeft deze last betwist. Bij uitspraak van deze rechtbank van 13 februari 2025 [1] is deze last in rechte vast komen te staan.
3. Op 22 maart 2024 heeft de politie geconstateerd dat de last is overtreden en op 13 mei 2024 is aan verweerder een bestuurlijke rapportage verstrekt. Uit de bestuurlijke rapportage volgt kort samengevat en voor zover hier van belang het volgende. Op 22 maart 2024 zag de politie eiser in zijn auto rijden. Uit eerdere registraties blijkt dat eiser handelt in verdovende middelen. In totaal vier keer brengt eiser zijn voertuig een korte periode van ongeveer 30 seconden tot stilstand. In drie van de vier gevallen heeft de politie geconstateerd dat er iemand bij eiser instapte met de uiterlijke kenmerken van een harddrugsgebruiker. In alle gevallen ging het om personen met de uiterlijke kenmerken van een harddrugsgebruiker, namelijk een onverzorgd uiterlijk en oude, kapotte kleding. Vervolgens is eiser op heterdaad aangehouden op verdenking van handel in verdovende middelen en heeft de politie daarbij de volgende bankbiljetten in beslag genomen:
- veertien biljetten van vijf euro;
- eenentwintig biljetten van 10 euro;
- zesentwintig biljetten van 20 euro;
- acht biljetten van vijftig euro;
- en zestien euro aan muntgeld.
Bij elkaar heeft de politie € 1216,- in beslag genomen. Bij eiser zijn geen drugs aangetroffen.
3.1.
Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 28 mei 2024 bekendgemaakt voornemens te zijn de dwangsom in te vorderen. Dit voornemen is op 6 juni 2024 door de politie uitgereikt. Eiser heeft hierop op 12 juni 2024 gereageerd met een zienswijze. Bij besluit van 2 augustus 2024 heeft verweerder besloten de dwangsom in te vorderen. Met het bestreden besluit van 25 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van 14 augustus 2024 ongegrond verklaard.
Wat vindt eiser?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiser is het niet eens met de opgelegde last. Hij is onschuldig van hetgeen waarvan hij wordt beschuldigd. Voor het dealen van drugs rondom de gemeente Den Haag is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De zaak is om die reden geseponeerd. Verder is bij eiser enkel een hoeveelheid geld aangetroffen. Het is onvoldoende aannemelijk dat eiser zich bezighoudt met drugshandel. Eiser is door agenten onderzocht en bij hem is geen drugs aangetroffen. Het bezit van geld toont niet aan dat de openbare orde is aangetast.
4.1.
Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij geld heeft gewonnen in een casino en dat het voor hem normaal is om een hoog bedrag in veel kleine coupures op zak te hebben. Het leven is namelijk duurder geworden, de prijzen zijn gestegen en eiser betaalt vaak met briefjes van vijftig euro, waardoor hij briefjes van vijf, tien en twintig euro terugkrijgt als wisselgeld. Verder voert eiser aan dat de mensen die bij hem in de auto zaten bekenden waren, met wie hij kort sprak over hoe het met ze ging. Eiser vindt het kwalijk dat zij vanwege hun uiterlijk en kapotte kleding worden bestempeld als harddrugsgebruikers. De contactmomenten waren in de omgeving van Laak en daar wonen nu eenmaal veel mensen met een zwaar leven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Is de last overtreden?
5. Als de last is overtreden, dan geldt als uitgangspunt dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd en dat slechts in bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van invordering kan worden afgezien. Het ligt op de weg van de overtreder om dergelijke omstandigheden onder de aandacht te brengen. [2] Een belanghebbende kan in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld als de last niet is overtreden of als de betrokkene geen overtreder is. [3]
5.1.
De opgelegde last is opgelegd voor overtreding van artikel 2:74, eerste lid van de APV. Artikel 2:74, eerste lid van de APV bepaalt dat onverminderd het bepaalde in de Opiumwet, het verboden is op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden, of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. De opgelegde last houdt in dat eiser moet stoppen met het zich op de weg begeven met het kennelijke doel om drugs te verhandelen.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser op 22 maart 2024 het kennelijke doel had zich op een weg in Den Haag te begeven om drugs te verhandelen. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser gedurende een periode van ongeveer 2 uur viermaal met zijn auto heeft stilgestaan, waarbij van die vier keren, de politie driemaal heeft gezien (kunnen zien) dat eiser een zeer korte tijd met diverse personen in de auto heeft doorgebracht. Het is de politie ambtshalve bekend dat korte contacten duiden op de handel in verdovende middelen. Ook acht de rechtbank van belang dat eiser een relatief groot geldbedrag bestaande uit kleine coupures in bezit had.
5.3.
In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit oordeel af te zien. Volgens vaste Afdelingsjurisprudentie [4] is de aanwezigheid van drugs voor overtreding van dit artikel geen voorwaarde. De rechtbank wijst er daarbij op dat voor het aannemen van een overtreding van de last niet hoeft vast te staan dat (in strafrechtelijke zin) kan worden bewezen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan drugshandel in de zin van genoemde bepalingen uit de Opiumwet. Daarnaast heeft eiser niet de naam van het casino kunnen noemen dat hij bezoekt en heeft hij verder niet met stukken onderbouwd wat de herkomst is van het aangetroffen geld in kleine coupures. Die onderbouwing mist ook voor het standpunt van eiser dat hij slechts 30 seconden met een bekende in de auto een kort praatje maakte. Nu verweerder zich op grond van het voorgaande op het standpunt mocht stellen dat eiser de last heeft overtreden, zal de rechtbank zich niet buigen over hetgeen is aangevoerd ten aanzien van het uiterlijk van de mensen die bij eiser instapten.
5.4.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [5] volgt dat bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115) gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiser niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R.Froma, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1983.
2.Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115.
3.Vgl. uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is (ECLI:NL:RVS:2019:466).
4.Uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020,
5.Zie uitspraak van de Afdeling van 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2748 en 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2555.