De minister van Asiel en Migratie heeft op 5 januari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, die hiertegen beroep instelde. De rechtbank heeft deze maatregel reeds op 31 oktober 2025 getoetst en oordeelde toen dat de bewaring rechtmatig was. Bij de huidige beoordeling richt de rechtbank zich op de periode na 28 oktober 2025.
Eiser stelde dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel vanwege zijn medische klachten, waaronder astma, en dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbrak. De rechtbank oordeelt dat de minister de noodzaak van bewaring voldoende heeft gemotiveerd en dat de medische klachten geen belemmering vormen voor bewaring gezien de beschikbare zorg. Tevens is uit de voortgangsrapportage gebleken dat de Algerijnse autoriteiten de identiteit van eiser hebben bevestigd en een vlucht is geboekt, waardoor het zicht op uitzetting niet ontbreekt.
De rechtbank benadrukt dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting en zich zelfs verzet tegen de vlucht, wat de voortzetting van de bewaring rechtvaardigt. Een verzwaarde toetsing vanwege de duur van de bewaring is niet aan de orde, aangezien eiser iets meer dan drie maanden in bewaring zit en geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.