Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8935

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL26.6228 en NL26.6229
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 3 EVRMArt. 30b Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering risico vervolging geloof in Pakistan

Eiser, een jongere uit Pakistan behorend tot een specifieke geloofsgemeenschap, diende een asielaanvraag in die door verweerder werd afgewezen wegens gebrek aan geloofwaardigheid en onvoldoende onderbouwing van het risico op vervolging.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het ontbreken van diepgewortelde geloofsbeleving en beperkte kennis van het geloof zou betekenen dat eiser geen risico loopt bij het uiten van zijn geloof. Tevens is onvoldoende onderzocht of de situatie van de broer van eiser, die asiel kreeg vanwege soortgelijke problemen, relevant is.

De rechtbank stelt dat verweerder niet mag verlangen dat eiser zich terughoudend opstelt in zijn geloofsuitoefening om vervolging te voorkomen. De verklaringen van eiser over zijn geloofsbeleving en de situatie in Pakistan zijn onvoldoende weersproken.

Gelet op deze motiveringsgebreken wordt het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep is beslist.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.6228 en NL26.6229
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Eiser heeft op 18 januari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen S. Singh. Aan de zitting hebben ook twee personen deelgenomen die door de rechtbank zijn gehoord op verzoek van eiser: [naam 1] en [naam 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2005 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Hij heeft verklaard hij behoort tot de [geloofsgemeenschap] en dat hij slachtoffer is geweest van discriminatie, bedreiging en geweld. Ook heeft eiser verklaard dat hij zijn religie alleen stiekem heeft kunnen uiten. Eiser vreest bij terugkeer naar Pakistan opnieuw slachtoffer te worden van geweld vanwege het zijn van [geloofsgemeenschap] .
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit twee asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Eiser is [geloofsgemeenschap] en heeft problemen ondervonden.
3.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder de identiteit van eiser niet geloofwaardig gevonden omdat eiser geen identificerende documenten had overgelegd en daar geen goede uitleg voor kon geven. [1] Nadat het bestreden besluit is genomen, heeft eiser zijn identiteitskaart uit Pakistan ontvangen en overgelegd. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de identiteitskaart als authentiek is beoordeeld en verweerder daarom de identiteit van eiser geloofwaardig vindt. Verweerder vindt ook de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig.
3.2.
Verweerder vindt het verder geloofwaardig dat eiser behoort tot de [geloofsgemeenschap] gemeenschap in Pakistan, maar vindt het niet geloofwaardig dat eiser problemen heeft ervaren vanwege zijn geloof. [2] Eiser heeft daar geen objectieve bewijsstukken van overgelegd. De broer van eiser heeft een verblijfsvergunning asiel in Nederland en van eiser kon dus worden verwacht dat hij weet dat het belangrijk is om documenten te overleggen. Verweerder heeft ook tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard over de problemen die hij in 2025 heeft ervaren. Eiser kan geen duidelijke tijdlijn schetsen van de problemen en zijn verklaringen over de verschillende incidenten lopen door elkaar.
3.3.
Verweerder heeft vervolgens geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar Pakistan niet te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. [3] Eiser valt als [geloofsgemeenschap] in het landenbeleid weliswaar onder een risicoprofiel, maar heeft zijn vrees bij terugkeer niet onderbouwd met indicaties die op hem persoonlijk zien. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij met het uiten van zijn geloof in de problemen zal komen in Pakistan. Eiser weet namelijk weinig over zijn geloof en heeft geen diepgewortelde geloofsbeleving. Dit mag wel van hem verwacht worden, omdat hij is geboren en opgegroeid met het [geloofsgemeenschap] geloof. Eiser heeft daarnaast niet uitgelegd hoe hij zich uit in Nederland. Verder heeft verweerder geconcludeerd dat de discriminatie die eiser heeft ervaren niet zodanig was dat hij niet de mogelijkheid had om in het sociale of maatschappelijk verkeer te functioneren in Pakistan. Ten slotte heeft verweerder betrokken dat de broer van eiser al in 2022 is gevlucht, terwijl eiser heeft gewacht tot 2025. Er was dus geen sprake van een onhoudbare situatie voor eiser. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [4] Vervolgens heeft verweerder Pakistan en, op basis van een
removal order, Gambia aangewezen als landen van terugkeer.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij geen risico op vervolging loopt omdat hij weinig kennis heeft van het [geloofsgemeenschap] geloof en geen diepgewortelde geloofsovertuiging zou hebben. Het is niet duidelijk wat voor kennisniveau verweerder van eiser verwacht. Ook is niet duidelijk wat volgens verweerder een diepgewortelde geloofsovertuiging zou inhouden. En verweerder heeft niet gemotiveerd dat alleen [geloofsgemeenschap] met een diepgewortelde geloofsovertuiging worden vervolgd in Pakistan. Bovendien heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Verweerder werpt tegen dat van eiser verwacht mocht worden dat hij meer kon verklaren over zijn geloofsbeleving en dat verwacht kon worden dat hij meer over het geloof zou weten. Hierbij heeft verweerder niet betrokken dat eiser jong is, afkomstig is uit het platteland en dat het [geloofsgemeenschap] 's verboden is om te lezen en te spreken over het geloof. [5]
4.1.
Ook voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij niet te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn manier van uiting geven aan het [geloofsgemeenschap] geloof. Uit openbare informatie volgt dat de situatie van [geloofsgemeenschap] is verslechterd en dat zij als groep worden vervolgd. [6] Er is wetgeving gericht tegen [geloofsgemeenschap] , ze zijn doelwit van geweld en ze worden door zowel de maatschappij als de autoriteiten belet het geloof te belijden. Verweerder acht het geloofwaardig dat eiser wil bidden, naar de moskee wil gaan, de koran wil lezen en het geloof wil verspreiden. Uit de overgelegde rapporten volgt dat eiser met deze uitingen al vervolgd zal worden. Eiser heeft hierbij ook gewezen op twee uitspraken van deze rechtbank. [7] Eiser heeft in dit kader ook aangevoerd dat verweerder ten onrechte tegenwerpt dat hij geen problemen heeft ondervonden voorafgaand aan zijn vertrek. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter over [geloofsgemeenschap] . [8] Ten slotte voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten de problemen van de broer van eiser en het feit dat verweerder hem internationale bescherming heeft verleend, te betrekken in de besluitvorming. Met het bewijzen van zijn identiteit heeft eiser ook bewezen dat hij het broertje is van [naam 3] . Het is bekend dat eiser en zijn familie [geloofsgemeenschap] zijn en eiser en zijn broer komen uit hetzelfde dorp waar het risico op vervolging voor [geloofsgemeenschap] groot is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser gelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de manier waarop eiser zijn geloof wil uiten in Pakistan geen gegronde vrees voor vervolging oplevert. De rechtbank legt dat oordeel als volgt uit.
6. De rechtbank staat daarbij eerst stil bij de uitspraken van de hoogste bestuursrechter waar eiser en verweerder beiden op hebben gewezen. [9] Uit deze uitspraken volgt dat [geloofsgemeenschap] voor wie het van bijzonder belang is om het geloof te uiten op een manier die hen blootstelt aan vervolging, in aanmerking komen voor internationale bescherming. Bij deze beoordeling is van belang dat verweerder niet mag verlangen dat de vreemdeling zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloof in het land van herkomst.
Mocht verweerder vinden dat eiser onvoldoende kennis heeft over het geloof en het daarom niet aannemelijk is dat hij een risico loopt vanwege het uiten van zijn geloof in Pakistan?
7. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard over de wijze waarop en omstandigheden waaronder hij zijn geloof heeft belijdt in Pakistan. Eiser heeft verklaard dat hij in Pakistan thuis stiekem bad, (met zijn koptelefoon) naar de kalief luisterde en vastte. Eiser heeft verklaard dat andere uitingen van het geloof ook waren verboden, zoals het lezen van de koran, het bezoeken van de moskee en het verspreiden van het geloof. [10] Ook heeft eiser tijdens het gehoor verklaard over hoe hij zijn geloof zou willen uiten als de omstandigheden dat toe zouden laten. Eiser zou dan graag de
tablighen de
azanwillen doen, de koran lezen en reciteren, de moskee bezoeken, vasten, bidden en zijn geloofsgemeenschap helpen. [11]
7.1.
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in het bestreden besluit heeft erkend dat eiser zich wil uiten op de wijze waarover hij heeft verklaard. [12] Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser echter niet volgt dat de uitingen van zijn geloof zodanig zijn dat er sprake is van een diepgewortelde geloofsbeleving. Dat blijkt ook uit eisers beperkte kennis van het geloof. Het is daarom volgens verweerder niet aannemelijk dat eiser in de problemen komt vanwege de uitingen van zijn geloof en daarmee is de situatie zoals beschreven in de uitspraken van de Afdeling niet aan de orde.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het eiser ontbreekt aan kennis en een diepgewortelde geloofsbeleving en het daarom niet aannemelijk is dat eiser met het uiten van de door hem belangrijk gevonden onderdelen van zijn geloof een risico loopt in Pakistan. De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat onvoldoende duidelijk is waarom deze vereisten relevant zijn voor de vraag of het aannemelijk is dat het voor eiser van bijzonder belang is om het geloof te uiten op een manier die hem blootstelt aan vervolging. Daarnaast is ook onvoldoende gemotiveerd waarom volgens verweerder niet voldaan wordt aan deze vereisten.
Kennis over het geloof
8.1.
De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat van eiser meer kennis over zijn geloof kan worden verwacht, voordat aangenomen kan worden dat het uiten van het geloof voor hem van belang is. Verweerder heeft niet duidelijk gemaakt wat voor kennisniveau van eiser wordt verwacht. De rechtbank wijst hierbij op de passages in het nader gehoor waarin eiser verklaart over de namen van kaliefs, over de verschillen tussen [geloofsgemeenschap] en andere moslims, over de herkomst van het [geloofsgemeenschap] geloof en over gebruiken en rituelen. [13] De rechtbank volgt eiser ook in zijn betoog dat verweerder onvoldoende heeft betrokken in hoeverre de beperkingen die er in Pakistan zijn aan het belijden van het [geloofsgemeenschap] geloof, invloed hebben op de kennis die eiser over het geloof kan hebben. Eiser heeft met stukken onderbouwd dat de beperkingen, zoals het niet mogen lezen van de koran en het niet kunnen bezoeken van de moskee, maakt dat hij minder weet over het geloof. Ook de jonge leeftijd van eiser had verweerder in dit kader meer kenbaar moeten betrekken. De rechtbank overweegt bovendien dat verweerder duidelijker had moeten motiveren waarom een bepaalde kennis over het geloof nodig zou zijn, nu niet in geschil is dat eiser [geloofsgemeenschap] is en nu verweerder aannemelijk vindt dat eiser zich zal uiten zoals hij aangeeft.
8.2.
De rechtbank zal in dit kader ingaan op de verklaringen van de personen die op de zitting op verzoek van eiser zijn gehoord. Eiser stelt dat deze personen deskundigen zijn en wil met hun verklaringen onderbouwen dat van eiser niet meer kennis over het geloof verwacht kan worden vanwege de moeilijke situatie voor [geloofsgemeenschap] in Pakistan. De rechtbank betrekt de verklaringen van deze personen niet in haar oordeel als verklaringen van deskundigen, maar als verklaringen van getuigen. De rechtbank is namelijk niet gebleken dat de personen die zijn gehoord inzake het onderwerp beperkte kennis van het geloof van [geloofsgemeenschap] als gevolg van de onderdrukking in Pakistan, over expertise of opleiding beschikken op dit gebied. Dit blijkt niet uit de stukken die daartoe zijn overgelegd noch uit hun eigen verklaringen die zij op zitting hebben afgelegd. Beide personen hebben algemene verklaringen afgelegd vanuit hun eigen ervaringen vanuit de functies die zij bekleden of hebben bekleed. Zij kunnen daarom wel als getuigen worden beschouwd. Dhr. [naam 1] heeft verklaard over incidenten waarbij [geloofsgemeenschap] zijn vervolgd, zoals ook beschreven in het Algemeen Ambtsbericht. Dhr. [naam 2] heeft verklaard over zijn eigen ervaringen met het kennisniveau van de [geloofsgemeenschap] gemeenschap en in het bijzonder over de afname van kennis die hij ziet bij [geloofsgemeenschap] die naar Nederland vluchten. Hoewel deze laatste verklaring van de heer [naam 2] relevant is, vindt de rechtbank deze verklaring op zichzelf niet voldoende om de stelling van eiser te onderbouwen, nu hij niet op basis van expertise de link legt tussen de situatie in Pakistan en het kennisniveau van eiser. De rechtbank acht de verklaringen en ervaringen van de getuigen wel nuttig als achtergrond van wat al overeenkomt met de door eiser overgelegde landeninformatie.
Diepgewortelde geloofsbeleving
8.3.
De rechtbank volgt eiser ook in zijn betoog dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt wat wordt verstaan onder diepgewortelde geloofsbeleving en waarom daar sprake van zou moeten zijn voordat volgens verweerder aangenomen kan worden dat de uiting van het geloof voor eiser van belang is. De rechtbank wijst daarbij op de onder 7 aangehaalde verklaringen van eiser en op het feit dat verweerder erkent dat eiser zijn geloof op de door hem genoemde wijze zou willen uiten. Eiser heeft daarbij rapporten overgelegd om te onderbouwen dat hij vanwege die uitingen al in de problemen zou komen in Pakistan. Gelet op de uitspraken van de hoogste bestuursrechter had verweerder, tegen de achtergrond van de overgelegde informatie over Pakistan, moeten beoordelen of eiser in de problemen komt als hij zich uit op de door hem aangegeven wijze. Dat heeft verweerder onvoldoende gedaan.
8.4.
Ook volgt de rechtbank eiser in zijn betoog dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiser geen inzicht heeft gegeven in hoe hij zijn geloof uit tijdens zijn verblijf in Nederland. Eiser verblijft sinds zijn aankomst in Nederland namelijk in bewaring en heeft toegelicht dat hij daardoor slechts beperkt uiting kan geven aan zijn geloof. [14]
Heeft verweerder alle relevante feiten betrokken in de beoordeling?
9. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of de situatie van de broer van eiser relevant is in de beantwoording van de vraag of eiser te vrezen heeft bij terugkeer naar Pakistan. Eiser heeft aangegeven dat van eisers familie bekend is dat zij [geloofsgemeenschap] zijn vanwege de problemen die zijn broer heeft gehad. Eiser heeft ook aangegeven dat zijn broer in Nederland een asielvergunning is verleend vanwege die problemen. Verweerder had daarin aanleiding moeten zien om te onderzoeken en te beoordelen of de gestelde problemen van de broer van eiser relevant zijn voor de inschatting wat eiser staat te wachten bij terugkeer naar Pakistan. In de besluitvorming heeft verweerder vermeldt dat het dossier van eisers broer is bekeken en heeft verweerder opgemerkt dat eiser nog drie jaar na het vertrek van zijn broer in Pakistan is gebleven. De rechtbank acht deze enkele stellingen op zichzelf onvoldoende inzichtelijk om te concluderen dat verweerder heeft onderzocht en beoordeeld of de situatie van eisers broer relevant is voor de beoordeling van de aanvraag van eiser.
10. Ten slotte volgt de rechtbank eiser ook in zijn betoog dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiser in het verleden geen problemen heeft ondervonden vanwege zijn [geloofsgemeenschap] geloof. De Afdeling heeft immers overwogen dat de omstandigheid dat een [geloofsgemeenschap] geen problemen heeft ondervonden bij zijn geloofsactiviteiten in Pakistan, niet maakt dat hij bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging. [15]
11. Gelet op al het voorgaande is er sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is om deze reden al gegrond. De rechtbank gaat daarom niet in op de overige beroepsgrond waarin eiser stelt dat verweerder [geloofsgemeenschap] uit Pakistan aan had moeten merken als groep die wordt vervolgd.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit van 1 februari 2026. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,-. [16]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vw.
3.Zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw.
5.Eiser verwijst daarbij naar het Thematisch Ambtsbericht Pakistan 2020, pagina 95.
6.Eiser verwijst daarbij naar het Algemeen ambtsbericht Pakistan 2024 (p. 67-69) en het Thematisch ambtsbericht [geloofsgemeenschap] Pakistan 2020 (p. 50, 62-63). Eiser verwijst ook naar verschillende rapporten van de International Human Rights Committee uit de periode februari t/m december 2025.
7.Uitspraak van 17 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17909 en de uitspraak van de meervoudige kamer van zittingsplaats Haarlem van 12 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3078.
8.Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667.
9.Uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667 en van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
10.Zie het nader gehoor, pagina’s 11, 12 en 15.
11.Zie het nader gehoor, pagina 13, en 15-17. Op pagina 17 noemt eiser deze onderdelen in reactie op de vraag welke onderdelen van de geloofsbelijdenis voor hem belangrijk zijn.
12.Verweerder stelt in het bestreden besluit dat het ‘niet op voorhand ongeloofwaardig is’ dat eiser zou willen bidden, de koran zou willen lezen en de moskee zou willen bezoeken. Zie pagina 4 van het bestreden besluit.
13.Zie het nader gehoor, pagina’s 12-15.
14.Zie het nader gehoor, pagina 13.
15.Uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667, r.o. 2.8.
16.1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.