ECLI:NL:RBDHA:2026:896
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toetsing van de maatregel van bewaring in het bestuursrecht met betrekking tot vreemdelingen
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 januari 2026 uitspraak gedaan in een vervolgberoep van eiser tegen de maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De maatregel van bewaring was eerder op 11 augustus 2025 opgelegd op basis van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder al uitspraak gedaan over deze maatregel op 1 september 2025 en 17 november 2025. In de huidige procedure heeft de rechtbank het vooronderzoek gesloten op 15 januari 2026 en besloten dat een zitting niet nodig was.
De rechtbank heeft overwogen dat de maatregel van bewaring rechtmatig is, mits de toepassing ervan niet in strijd is met de Vreemdelingenwet en de belangen van eiser in redelijkheid zijn afgewogen. Eiser voerde aan dat er geen zicht op uitzetting naar Algerije is, omdat er geen laissez-passer was afgegeven. De rechtbank oordeelde echter dat er wel degelijk zicht op uitzetting is en dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat dit in zijn specifieke geval ontbreekt. Daarnaast betoogde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, maar de rechtbank vond geen aanleiding om dit oordeel te delen.
Eiser voerde ook aan dat de belangenafweging in zijn voordeel moest uitvallen vanwege zijn medische situatie, maar de rechtbank concludeerde dat er voldoende rekening was gehouden met zijn gezondheidstoestand bij het opleggen van de maatregel. Eiser stelde dat een lichter middel opgelegd had moeten worden, maar de rechtbank oordeelde dat de minister voldoende gronden had om de maatregel van bewaring te handhaven. Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.