Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9100

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
SGR 24/7577
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 WooArt. 5.2 WooArt. 5.3 WooArt. 5.5 WooArt. 8.8 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten over openbaarmaking documenten Magno Project op grond van Woo wegens motiveringsgebrek

Eiser diende een Woo-verzoek in voor openbaarmaking van documenten over fiscale fraudeonderzoeken binnen de Belastingdienst en FIOD, waaronder het Magno Project. Verweerder gaf gedeeltelijke openbaarmaking, met toepassing van uitzonderingsgronden en geheimhoudingsplichten. Eiser stelde dat de reikwijdte te beperkt was, zoekslagen onzorgvuldig en dat te veel informatie werd geweigerd.

De rechtbank oordeelt dat verweerder de reikwijdte van het verzoek juist heeft afgebakend en de zoekslagen zorgvuldig en inzichtelijk heeft uitgevoerd. De rechtbank vindt de motieven voor weigering op grond van fiscale geheimhoudingsplichten en bijzondere bepalingen terecht, waarbij de bestuursrechter geen toetsing aan de Woo hoeft te verrichten vanwege het lex specialis-beginsel.

Wel constateert de rechtbank een motiveringsgebrek bij de belangenafweging voor geheimhouding van informatie ouder dan vijf jaar, waardoor het beroep gegrond is en de besluiten worden vernietigd. Verweerder heeft dit gebrek in de beroepsfase hersteld, zodat de rechtsgevolgen van de besluiten in stand blijven en deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de bestreden besluiten worden vernietigd wegens een motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7577

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] ( [land] ), eiser

en

de staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigden: mr. S. Pompies, mr. J.W. Rouwendal en dr. B.M. van der Sar).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser gericht tegen de besluitvorming van verweerder over zijn verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1
Eiser heeft op 5 oktober 2023 een Woo-verzoek ingediend bij verweerder.
1.2
Verweerder heeft met het primaire besluit van 12 december 2023 op dit verzoek beslist en is overgegaan tot gedeeltelijke openbaarmaking van documenten.
1.3
Verweerder heeft bij besluit van 16 april 2024 (bestreden besluit I) een eerste besluit op het bezwaar van eiser genomen. Verweerder heeft het bezwaar ten dele gegrond verklaard en extra documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt.
1.4
Bij besluit van 7 augustus 2024 (bestreden besluit II) heeft verweerder de besluitvorming over het bezwaar van eiser aangevuld en een laatste set documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt [1] .
1.4
Eiser heeft bij deze rechtbank beroep ingesteld, dat zich van rechtswege [2] richt tot zowel bestreden besluit I, als bestreden besluit II.
1.5
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6
Eiser heeft na het verweerschrift tweemaal een aanvullende schriftelijke reactie uitgebracht, waarop verweerder ook weer heeft gereageerd [3] .
1.7
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft aan de zitting deelgenomen via een videoverbinding. Verweerder heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en woont op [woonplaats] . Eiser heeft een Woo-verzoek ingediend dat ziet op openbaarmaking van documenten door verweerder en de daaronder ressorterende Belastingdienst en Fiscale Opsporings- en Inlichtingendienst (FIOD), over - kortgezegd - de volgende onderwerpen:
  • Het Magno Project, in het bijzonder het onderzoek naar de Building Bridges-structuur, en daaraan (nauw) gerelateerde projecten;
  • De TCSP-schijf, in verband met onderzoek naar de SBS7/Freemont-structuur;
  • Het Olympic Project binnen de FIOD.
Deze drie onderwerpen zien op interne projecten en databestanden van de Belastingdienst en FIOD, die ingezet worden voor de aanpak en bestrijding van grensoverschrijdende fiscale fraude, met o.a. trusts en dividendstructuren, gerelateerd aan de in 2015 in de internationale pers uitgelekte Panama Papers. In het kader van deze drie onderwerpen is eiser specifiek geïnteresseerd in:
- het beleid van verweerder met betrekking tot het opstarten van dergelijke onderzoeksprojecten naar belastingfraude binnen de Belastingdienst; en
- de communicatie over deze onderwerpen tussen de Coördinatiegroep Constructiebestrijding (CCB), de inspecteur/en of de projectleiders als onderdelen van de Belastingdienst enerzijds en de Fiscale Opsporings- en Inlichtingendienst (FIOD) en advocatenkantoor Pels Rijcken anderzijds.
Tot slot heeft eiser in zijn verzoek op grond van artikel 5.5 van de Woo verzocht om documenten die betrekking hebben op de natuurlijke persoon van eiser.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Verweerder heeft bij het primaire besluit een eerste set documenten openbaar gemaakt, waaronder het memo met de titel ‘Project Magno - Building Bridges – op de zaak betrekking hebbende stukken’, inclusief projectstukken en correspondentie. In deze documenten zijn op grond van artikel 5.2, eerste lid van de Woo enkele tekstgedeelten weggelakt die zien op persoonlijke beleidsopvattingen van betrokkenen. Ten aanzien van het project Olympic heeft verweerder medegedeeld dat dit binnen de FIOD de verzamelnaam is voor een aantal individuele onderzoeken naar afnemers en aanbieders van fiscale fraudeconstructies. Openbaarmaking van informatie over het project Olympic primair is geweigerd vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 67 van Pro de Algemene wet inzake de rijksbelastingen (afgekort: Awr) en artikel 67 van Pro de Invorderingswet 1990 (afgekort: IW 1990). Op grond van artikel 8.8 van de Woo derogeren deze twee bijzondere geheimhoudingsplichten namelijk aan de verplichting tot openbaarmaking van informatie onder de Woo. Omdat het strafrechtelijk onderzoek tegen de aanbieders en afnemers van deze fraudestructuren nog loopt, beroept verweerder zich subsidiair ook het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten, als bedoeld in artikel 5.1, lid 1, sub c van de Woo (hierna: de c-grond). Het verzoek van eiser om openbaarmaking van de op hem betrekking hebbende informatie op grond van artikel 5.5 Woo heeft verweerder ook afgewezen, met een beroep op de artikelen 67 van de Awr en de IW 1990. Verweerder heeft in dit verzoek geen aanleiding gezien voor ambtshalve ontheffing van de geheimhoudingsplicht op grond van artikel 67, derde lid van de Awr. Omdat de fiscale geheimhoudingsplichten van de Awr en de IW 1990 prevaleren over de Woo, kan eiser geen geslaagd beroep doen op de algemene ‘vangnetbepaling’ van artikel 5.5 Woo om zo de door hem gewenste informatie alsnog te verkrijgen.
3.1
In bestreden besluit I heeft verweerder een eerste besluit genomen over het bezwaar van eiser. Verweerder heeft een heroverweging gemaakt naar aanleiding van de bezwaargronden en het hoorgesprek van 4 april 2024 en heeft daarbij 44 extra documenten openbaargemaakt, o.a. stukken van de TCSP-schijf en stukken over het Magno/Building Bridges Project en het daaraan gerelateerde project B23 binnen het programma Verhuld Vermogen (VhV) van de Belastingdienst. Ook zijn stukken met algemene informatie over het programma VhV en enkele stukken die zien op het project Olympic bij de FIOD openbaar gemaakt. Daarbij heeft verweerder ook de afbakening van de reikwijdte van dit Woo-verzoek, de uitvoering van de zoekslag en de motivering voor de weigeringsgronden aangevuld. Zo heeft verweerder gemotiveerd waarom in bepaalde documenten bij het lakken van passages de zogenaamde d-grond (inspectie, controle en toezicht), de e-grond (persoonlijke levenssfeer) en de i-grond (belang van goed functioneren van de Staat) van artikel 5.1, tweede lid van de Woo zijn tegengeworpen. Ook de tegenwerping van artikel 67 Awr Pro is in bestreden besluit I nader gemotiveerd besproken.
3.2
Naar aanleiding van verdere schriftelijke precisering van de Woo-onderwerpen en de vraagstelling van eiser in de bezwaarprocedure, heeft verweerder in een aanvullend besluit (bestreden besluit II) nog eens 83 extra documenten openbaar gemaakt. Deze documenten zien op alle in bestreden besluit I al genoemde (deel)onderwerpen en verweerder is daarbij opnieuw ingegaan op de afbakening van het verzoek, de uitvoering van de zoekslag en de tegengeworpen weigeringsgronden. Naast de eerder genoemde d-grond, de e-grond en de i-grond, zijn in deze extra documenten ook de a-grond (internationale betrekkingen) en de c-grond (opsporing en vervolging van strafbare feiten) van artikel 5.1, tweede lid van de Woo toegepast. Ook is het tegenwerpen van aan de Woo derogerende bepalingen van artikel 67 Awr Pro, het Wetboek van Strafvordering (Sv) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) besproken.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
4. Eiser heeft in zeer uitvoerig betoog zijn beroepsgronden kenbaar gemaakt. Op de zitting heeft de rechtbank deze beroepsgronden kernachtig samengevat en geclusterd voorgehouden aan eiser, die desgevraagd bevestigd heeft dat dit een juiste samenvatting betreft. Kort en zakelijk weergegeven komen de beroepsgronden neer op het volgende:
4.1
Verweerder heeft de reikwijdte van het Woo-verzoek te beperkt opgevat en heeft ten onrechte niet alle andere zaakstukken van lopende procedures tussen eiser en de Belastingdienst, en de correspondentie daarover met advocatenkantoor Pels Rijcken, in de zoekslag betrokken. De door verweerder verrichte zoekslagen voor dit Woo-verzoek zijn daarbij onzorgvuldig uitgevoerd en ondeugdelijk gemotiveerd. Volgens eiser moeten er over de genoemde onderwerpen, in het bijzonder de CCB memo, het Magno-Project en de SBS7/Freemont-structuur, meer stukken zijn dan er tot op heden zijn openbaargemaakt, onder andere verslagen van interne gesprekken, projectplannen en voortgangsrapportages. Verweerder heeft de uitvoering van de verrichte zoekslag daarnaast onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Er is namelijk geen inzicht geboden in de gebruikte zoektermen in de systemen, de aangezochte personen en instanties en de aan hen gestelde vragen. Ook de wijze van schifting van de bij de zoekslag aangetroffen documenten en welke documenten daarvan uiteindelijk openbaar gemaakt zijn, is ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt. Eiser wil dat verweerder een lijst met alle aangetroffen documenten opstelt, ook van de documenten die na de zoekslag niet relevant voor dit Woo-verzoek zijn gebleken en daarom niet openbaar zijn gemaakt door verweerder.
4.2
Eiser voert in beroep ook aan dat verweerder teveel informatie weggelakt heeft en ten onrechte slechts tot gedeeltelijke openbaarmaking van informatie en ook tot integrale weigering van gevraagde documenten is overgegaan. Zo heeft verweerder ten onrechte, met een beroep op de Wjsg en artikel 5.1, tweede lid, sub a van de Woo (de a-grond) geweigerd de stukken over de lopende rechtshulpverzoeken openbaar te maken. Ook de c-, d- en e-grond van artikel 5.1, lid 2 Woo zijn ten onrechte tegengeworpen volgens eiser. Zo kan eiser niet volgen waarom de d-grond is tegengeworpen bij passages in de CCB memo dividendstructuren en de memo ‘Aandachtspunten verruimde inkeerregelingen’. Ook de e-mailcorrespondentie over de politiek-bestuurlijke mediagevoeligheid van dit dossier is volgens eiser ten onrechte geweigerd vanwege persoonlijke beleidsopvattingen. Ook is in de bestreden besluitvorming ten onrechte geen gemotiveerde belangenafweging gemaakt waarom geheime informatie ouder dan 5 jaar dat onder het verzoek valt niet openbaar is gemaakt, gelet op artikel 5.3 van de Woo. Ook vindt eiser het onterecht dat hij op grond van artikel 5.5 van de Woo geen inzage krijgt in de Woo-informatie die op hemzelf ziet. Tot slot heeft eiser in beroep aangevoerd dat ten aanzien van meerdere passages in de verkregen documenten ten onrechte de bijzondere weigeringsgronden die onder artikel 8.8 Woo vallen zijn tegengeworpen, zoals artikel 67 Awr Pro, de Wjsg en Strafvordering. Zo moet verweerder onder andere inzicht bieden in de betrokkenheid van advocatenkantoor Pels Rijcken en enkele specifiek genoemde ambtenaren van verweerder bij de behandeling van dit verzoek.
5. Verweerder heeft op de zitting, in het verweerschrift en de andere schriftelijke standpunten in beroep gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden van eiser. Verweerder heeft op enkele punten de motivering aangevuld en voor de overige beroepsgronden geconcludeerd dat deze niet kunnen slagen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Reikwijdte van het Woo-verzoek
6. Met analoge toepassing van vaste jurisprudentie [4] van de hoogste bestuursrechter over de Wet openbaarheid van bestuur (afgekort: Wob [5] ) wordt bij de bepaling van de reikwijdte van het Woo-verzoek de gebruikte bewoordingen en de context waarin het verzoek is gedaan betrokken. Uitbreiding van de reikwijdte van het Woo-verzoek in de bezwaarfase verdraagt zich niet met het wettelijk stelsel, waarbij een bestuursorgaan een besluit op een Woo-verzoek neemt en eventueel gemaakt bezwaar nog steeds op de reikwijdte van het initiële Woo-verzoek betrekking heeft. Dat betekent dat het Woo-verzoek van eiser van 5 april 2023 en de precisering daarvan in de correspondentie tussen eiser en verweerder voorafgaand aan het primaire besluit bepalend is voor de reikwijdte van het verzoek. Het voorgaande betekent echter niet dat binnen de afgebakende reikwijdte van het Woo-verzoek geen specificering van en nadere zoekslag naar onder de reikwijdte van het verzoek vallende deelonderwerpen kan plaatsvinden.
6.1
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder mocht concluderen dat de IACS-projecten van het programma VhV van de Belastingdienst niet binnen de afgebakende reikwijdte van dit specifieke Woo-verzoek vallen. Verweerder heeft daartoe ten eerste aan eiser mogen tegenwerpen dat IACS niet genoemd is in het Woo-verzoek van eiser van 5 oktober 2023. Ook mocht verweerder tegenwerpen dat in bestreden besluit I gemotiveerd is toegelicht dat onder de noemer IACS vele projecten vallen binnen het programma VhV en dat IACS ziet op een breder scala aan onderzoeken dan het Woo-verzoek van eiser, zoals beschreven in rechtsoverweging 2 van deze uitspraak, omvat. Daarbij zien de projecten vallend onder IACS op vele uiteenlopende fiscale onderwerpen en kennen deze weinig onderlinge samenhang. Dat de IACS-projecten de reikwijdte van dit Woo-verzoek en de precisering daarvan overstijgen, acht de rechtbank gelet op deze toelichting een navolgbare conclusie. Voor het betrekken van de IACS-projecten onder dit Woo-verzoek en het uitvoeren van een zoekslag daarnaar bestaat geen grond.
6.2
Ook mocht verweerder, mede gelet op de bewoordingen van het Woo-verzoek, concluderen dat de zaakstukken van andere procedures die tussen eiser en verweerder lopen niet onder de reikwijdte van dit Woo-verzoek vallen. Bovendien kan eiser voor het verkrijgen van inzage of kopieën van dossierstukken van zijn eigen fiscale en civiele procedures tussen hem en verweerder terugvallen op daarvoor bestemde zelfstandige rechtsingangen [6] . Bovendien mocht verweerder tegenwerpen dat eiser als betrokken procespartij in deze procedures ook vermoed mag worden zelf over deze stukken te kunnen beschikken, al dan niet via een (voormalige) gemachtigde. Tegen deze achtergrond heeft verweerder het Woo-verzoek van eiser niet zo hoeven begrijpen dat ook deze documenten onder de reikwijdte van het Woo-verzoek zouden vallen.
6.3
Ook de documenten over het onderzoek van verweerder en advocatenkantoor Pels Rijcken naar de verhaalsmogelijkheden op het vermogen van eiser in het buitenland vallen, in weerwil van eiser zijn stelling, niet onder de reikwijdte van dit Woo-verzoek. Verweerder mocht er daarbij ten eerste op wijzen dat hij deze informatie al in 2024 openbaar gemaakt heeft in het kader van een ander Woo-verzoek [7] van eiser. Daarbij is dit informatie die op grond van artikel 67 van Pro de Awr onder de fiscale geheimhoudingsplicht valt en op grond van artikel 8.8 Woo van het Woo-regime is uitgesloten. De beroepsgronden slagen niet.
Zoekslagen inzichtelijk en zorgvuldig?
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de zoekslagen naar de documenten die binnen de reikwijdte van het Woo-verzoek van eiser vallen zorgvuldig uitgevoerd en voldoende inzichtelijk gemaakt.
7.1
Uit jurisprudentie [8] van de Afdeling volgt dat een bestuursorgaan het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag
kanbewerkstelligen door
bijvoorbeeldspecifiek te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoek naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten is gemaakt. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat verweerder verplicht is om de gehele methode van zoeken naar documenten op alle voornoemde aspecten tot in detail toe te lichten en dat het niet of slechts summier toelichten van de zoekslag op een of enkele van deze aspecten onmiddellijk leidt tot een zorgvuldigheidsgebrek. Het gaat erom dat de zoekslag voldoende inzichtelijk is. Dit moet van geval tot geval worden beoordeeld.
7.2
Ten aanzien van de uitvoering van de zoekslagen heeft verweerder in de bestreden besluiten gemotiveerd toegelicht op welke wijze het afkaderen van de verschillende door eiser aangevoerde (deel)onderwerpen en het formuleren van een zoekstrategie op die onderwerpen heeft plaatsgevonden. Zo is op pagina 2 van bestreden besluit I beschreven hoe verweerder de formulering van het Woo-verzoek vertaald heeft naar concreet afgebakende onderwerpen en is op pagina 2 en 3 van bestreden besluit II vervolgens uitgebreid toegelicht door verweerder hoe de zoekslagen voor zowel Belastingdienst als FIOD zijn opgezet naar aanleiding van het hoorgesprek, de gronden van bezwaar en de overige correspondentie tussen eiser en verweerder. Zo is toegelicht dat de nadere zoekslag en daaropvolgende uitvraag bij ambtenaren van de Belastingdienst is gebaseerd op de notitie van eiser, gedateerd 8 april 2024 en opgesteld in verband met de hoorzitting in bezwaar. Voor de zoekslag binnen de FIOD is toegelicht dat gezocht is in o.a. het systeem SUMMIT, de agenda’s van de zogenoemde weeg-en de stuurploeg en de iBabs historie en mailcorrespondentie tussen betrokken ambtenaren. Ook is inzicht geboden in de gebruikte zoektermen, zoals “Olympic”, “Magno” en dat er gezocht is op de namen van betrokkenen en dossiernummers. In aanvulling hierop is ter zitting ook nog toegelicht dat het zoekproces is bespoedigd doordat er binnen de Belastingdienst voor het project Magno een overzichtelijke mappenstructuur bestond voor de projectstukken.
7.3
Voor een verderstrekkende toelichting op de uitvoering van de zoekslagen, door bijvoorbeeld het noemen van de concreet aangezochte personen en de exacte formulering van de aan hen gestelde vragen, bestaat geen grond. Verweerder heeft ten aanzien van de namen van betrokkenen aan eiser gemotiveerd tegengeworpen dat het belang van de persoonlijke levenssfeer, gelet op artikel 5.1, lid 2, sub e van de Woo, hier zwaarder weegt dan het belang bij openbaarheid van deze namen. Ook wordt niet gevolgd dat verweerder de gestelde vragen aan de ambtenaren nog specifieker moet maken. Verweerder heeft in de bestreden besluiten en met de openbaar gemaakte mailcorrespondentie voldoende inzichtelijk gemaakt over welke door eiser aangedragen onderwerpen en zoektermen navraag is gedaan bij de betrokken personen en welke onderdelen van de betrokken organisaties zijn aangezocht, zoals o.a. VhV en CCB.
7.4
Ook heeft verweerder de schifting van gevonden documenten van afdoende toelichting voorzien, door uit te leggen dat gekeken is welke onderzoeksprojecten van IACS nauw gerelateerd zijn aan het Woo-verzoek van eiser, en dat documenten die zien op projecten die onvoldoende verband hebben met dit Woo-verzoek zijn uitgesloten.
7.5
Er bestaat in dit kader geen grond voor het oordeel dat verweerder verplicht is een overzicht te maken van alle bij de zoekslag aangetroffen documenten en daarbij aan te geven of deze wel of niet zijn afgevallen na het maken van de schifting. Uit de eerdere genoemde jurisprudentie [9] van de Afdeling volgt namelijk slechts dat verweerder, gelet op het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Awb Pro, de verrichte zoekslag voldoende inzichtelijk dient te maken en daarbij
bijvoorbeeldaandacht
kanbesteden aan de schifting van de aangetroffen documenten. In de gegeven omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder daarmee verplicht is om voor dit geval een overzicht van alle documenten pre- en post-schifting op te stellen en met eiser te delen. Zoveel blijkt niet uit deze jurisprudentie en bovendien heeft eiser ook niet nader gesubstantieerd op grond van welke andere rechtsregel of welke argumenten dit wel geldt of dit in deze jurisprudentie in te lezen is. De door partijen aangehaalde uitspraak [10] van de voorzieningenrechter van de Afdeling maakt dit oordeel niet anders, nu de daar aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam nu juist op het punt van het opstellen van een overzicht van aangetroffen documenten geschorst is en tot op heden nog geen einduitspraak in de bodemprocedure is gedaan.
7.6
De stelling van eiser dat er sprake is van vooringenomenheid en gebrek aan objectiviteit bij de bij dit Woo-verzoek betrokken ambtenaren, wordt in dit kader niet gevolgd. Eiser heeft dit namelijk niet met feitelijke en objectieve argumenten of bewijsmiddelen onderbouwd. Bovendien heeft verweerder in zijn verweerschrift nog toegelicht door dat standaard wordt beoordeeld of het waarschijnlijk is dat openbaarmaking van documenten tot bijvoorbeeld Kamervragen zal leiden, of dat de inhoud van de documenten door de media zal worden opgepakt. In dat geval wordt de betreffende bewindspersoon geïnformeerd over de aanstaande openbaarmaking van documenten, zodat deze zich hierop kan voorbereiden. Verweerder heeft benadrukt dat de bewindspersoon niet wordt gevraagd om vooraf in te stemmen met de voorgenomen afhandeling van het verzoek. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor de conclusie dat deze werkwijze op het ministerie van verweerder ongeloofwaardig is of anderszins blijk geeft van vooringenomenheid bij de behandelaren van dit Woo-verzoek.
Gevonden documenten na de zoekslagen
8. In het kader van deze beroepszaak heeft eiser – kort samengevat – zich op het standpunt gesteld dat er meer documenten moeten zijn aangetroffen bij de zoekslag dan er zijn openbaar gemaakt in dit geval. Zo vindt eiser het niet aannemelijk dat er, gelet op de omvang van deze projecten, geen gespreksverslagen zijn gevonden van intern overleg inzake de onderzoeken Magno/BB/SBS7-Freemont. Eiser stelt ook dat niet geloofwaardig is dat er geen documenten met werkafspraken, projectplannen en voortgangsrapportages over voornoemde projecten en eiser stelt ook dat meer documenten inzake correspondentie over CCB en de analyse van de FIOD-dossiers uit 2014 openbaar gemaakt moeten worden.
8.1
Uit vaste jurisprudentie [11] van de Afdeling volgt dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het aan degene die om informatie verzoekt in beginsel is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van dit onderzoek, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.
8.2
Naar het oordeel van de rechtbank komen de conclusies van verweerder dat na onderzoek niet is gebleken van extra documenten niet ongeloofwaardig voor. Zo is de rechtbank niet gebleken van aanwijzingen dat sprake is van een volledige projectorganisatie waarbij projectplannen, werkafspraken en voortgangsrapportages ten behoeve van gecoördineerde gezamenlijke aanpak worden opgesteld. Verweerder heeft daartoe meermaals toegelicht dat Magno/Building Bridges/SBS7-Freemont ziet op meerdere langlopende individuele onderzoeken naar fiscale fraude met verhuld vermogen. De uitleg van verweerder dat deze onderzoeken per geval in aanpak verschillen, dat er geen sprake is van een overkoepelende projectorganisatie en dat het woord “project” binnen de organisaties onder verweerder gebruikt wordt voor langlopende individuele onderzoeken en dus niet duidt op, zoals eiser lijkt te vermoeden, een gecoördineerde, gezamenlijke aanpak van deze fraudeonderzoeken, acht de rechtbank inzichtelijk en niet ongeloofwaardig. Dat verweerder de door eiser gestelde documenten daarover niet heeft aangetroffen bij de zoekslag is dan ook aannemelijk en verweerder heeft dit in de bestreden besluitvorming voldoende gemotiveerd toegelicht.
8.3
Ten aanzien van het ontbreken van gespreksverslagen van gevoerd overleg in het kader van deze individuele onderzoeken heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat er geen rechtsregel bestaat die verweerder verplicht tot het opstellen van gespreksverslagen van dergelijk overleg tussen ambtenaren. Daarbij vond volgens verweerder overleg voornamelijk informeel plaats, waarbij niet of niet alles genotuleerd werd. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten dat dit ongeloofwaardig of anders dan hier voorgesteld is.
8.4
Ook de uitleg van verweerder over de documenten die bij de zoekslag naar documenten inzake correspondentie met CCB en FIOD-analyses uit 2014 zijn aangetroffen, komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Dat er hier meer documenten van moeten bestaan heeft eiser niet met objectieve argumenten aannemelijk gemaakt.
8.5
Alles bij elkaar bezien is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er - in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door verweerder en de daarbij gegeven toelichting - meer documenten moeten zijn aangetroffen bij de verrichte zoekslagen, die ook binnen de reikwijdte van dit Woo-verzoek vallen. Het enkele vermoeden van eiser is hiervoor niet genoeg. De beroepsgronden slagen niet.
Integrale weigering van openbaarmaking onder artikel 8.8 Woo
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, zowel aan eiser als aan de geheimhoudingskamer en de rechtbank, geen inzage hoeven bieden in documenten die onder een van de bijzondere openbaarmakingsregelingen van artikel 8.8 van de Woo en bijbehorende bijlage vallen, namelijk artikel 67 Awr Pro, de Wjsg en Strafvordering.
9.1
Uit de tekst en de wetsgeschiedenis van artikel 8.8 Woo volgt namelijk dat de wetgever heeft beoogd om deze bijzondere regelingen voor openbaarmaking van overheidsinformatie expliciet van het Woo-regime uit te zonderen. De ratio daarvan is dat deze bijzondere wettelijke regelingen een uitputtend karakter hebben met eigen inzage- en openbaarmakingsrechten en vanwege het lex specialis-beginsel voorgaan op de Woo. Dit betekent dat wanneer met een beroep op de Woo wordt verzocht om openbaarmaking van informatie, waarop bijvoorbeeld de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 Awr Pro van toepassing is, dit verzoek moet worden afgewezen, alleen al omdat de gevraagde informatie op grond van de wet van de Woo is uitgezonderd en – strikt genomen – daarmee ook buiten het bereik van de Woo en een daarop gebaseerde verzoek valt. Dit wordt bevestigd in recente jurisprudentie [12] van de hoogste bestuursrechter.
9.2
Met inachtneming van het voorgaande mocht verweerder dan ook concluderen dat de bij de zoekslag aangetroffen documenten die zien op informatie die onder de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 Awr Pro valt, reeds om die reden niet openbaar gemaakt hoeft te worden in het kader van dit Woo-verzoek. Dat naast de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Awr Pro ook een uitzonderingsgrond van artikel 5.1 of 5.2 van Woo van toepassing is op diezelfde informatie, doorbreekt dit stelsel – naar het oordeel van de rechtbank – niet. Ook in dat geval gaat de bijzondere regelgeving van de Awr voor op de Woo.
9.3
Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank - mutatis mutandis - ook voor de aangetroffen documenten die zien op informatie die onder de Wjsg of artikel 415 juncto Pro artikel 365, lid 4 en 5 van het Wetboek van Strafvordering valt. Ook voor die bijzondere bepalingen geldt dat deze op grond van artikel 8.8 Woo en de daarbij behorende bijlage prevaleren boven de Woo en dat toepassing van die bepalingen op de betreffende documenten maakt dat deze niet in het kader van een Woo-verzoek openbaar gemaakt hoeven te worden, omdat deze documenten kortweg niet onder de Woo vallen.
9.4
Nu documenten met informatie waarop één van de voornoemde bijzondere bepalingen van toepassing is, buiten het bereik van de Woo vallen, was verweerder in deze Woo-procedure - mede gelet op jurisprudentie [13] van de Afdeling - ook niet gehouden om deze stukken op grond van artikel 8:29 Awb Pro aan de rechtbank te overleggen.
9.5
Dat verweerder voor een paar van deze documenten, zowel bijzondere bepalingen van de Awr en de Wjsg, als absolute en/of relatieve weigeringsgronden van artikel 5.1 en 5.2 van de Woo aan eiser heeft tegengeworpen, maakt ook niet dat de bestuursrechter in de gelegenheid gesteld moet worden om te kunnen toetsen of die tegenwerpingen op grond van de Woo rechtmatig zijn. Ook hier verplicht het lex specialis-beginsel namelijk dat de bijzondere wet prevaleert boven de Woo en komt de bestuursrechter in deze zaak niet toe aan de beoordeling of verweerder, naast de Awr en de Wjsg, subsidiair ook artikel 5.1 en 5.2 van de Woo mocht tegenwerpen.
9.6
Indien eiser inzage wenst te krijgen in documenten, waarop bijzondere bepalingen van artikel 8.8 Woo van toepassing zijn, zal eiser daarvoor een eigenstandig verzoek op grond van die bijzondere regelingen moeten indienen. Beslissingen die verweerder over dergelijke verzoeken op grond van die bijzondere openbaarmakingsregimes neemt, kan eiser vervolgens bij de daartoe bevoegde (civiele) rechter laten toetsen.
Weigeringsgronden artikel 5.1 van de Woo
10. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken die door verweerder op grond artikel 8:29 van Pro de Awb onder geheimhouding aan de rechtbank zijn overgelegd.
10.1
Omdat eiser ten aanzien van de toepassing van artikel 5.1, lid 2, sub d van de Woo alleen specifieke klachten heeft geuit ten aanzien van de memo CCB en de memo Aandachtspunten ViB zijn alleen deze documenten integraal gecontroleerd op de lakkingen voor de d-grond. Voor de c-grond heeft de rechtbank het geweigerde document E7 integraal gecontroleerd. Voor de e-grond heeft de rechtbank aanleiding gezien om steekproefsgewijs vijf individuele lakkingen in verschillende van de aanwezige documenten in het geheimhoudingsdossier te controleren op de al dan niet juiste toepassing van de e-grond. Op de documenten waar vanwege de a-grond informatie is achtergehouden (o.a. documenten inzake rechtshulpverzoeken aan buitenlandse autoriteiten) zijn artikel 67 Awr Pro dan wel de Wjsg van toepassing. Gelet op het lex specialis-beginsel en hetgeen daarover is overwogen in rechtsoverweging 9.5 van deze uitspraak is toetsing van de rechtmatigheid van het tegenwerpen van de a-grond in deze procedure niet aan de orde.
10.2
Na kennisneming van de geheime stukken en vergelijking van die geheime stukken met de bij eiser bekende versie van de gelakte stukken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met de gegeven motivering in bestreden besluit I en II op goede gronden heeft geconcludeerd dat het belang van inspectie, controle en toezicht mocht prevaleren boven het belang van openbaarheid van deze informatie. Dit geldt voor alle op de d-grond weggelakte passages van zowel de CCB Memo dividendstructuren (A1 in de inventarisatielijst), als de memo Aandachtspunten ViB (F1 in de inventarisatielijst). Er zijn de rechtbank geen aanwijzingen van het tegendeel gebleken. Verweerder heeft de betreffende passages dan ook terecht weggelakt op de d-grond.
10.3
Naar het oordeel van de rechtbank mocht openbaarmaking van het gehele document E7 op grond van artikel 5.1, lid 2 onder c van de Woo worden geweigerd, omdat het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten door de FIOD mocht prevaleren boven het belang van openbaarheid van dit document, zoals verweerder op goede gronden heeft gemotiveerd in bestreden besluit II.
10.4
Voor de e-grond zijn tot slot na een steekproef vijf verschillende lakkingen gecontroleerd in de documenten A3, B28, D9, E5 en F6 van de inventarisatielijst. Ook ten aanzien van deze lakkingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze passages op goede gronden heeft uitgezonderd van openbaarmaking vanwege eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, o.a. van de betrokken ambtenaren. Er zijn, anders dan eiser meent, geen aanwijzingen dat er onder de markeringen met de e-grond ten onrechte meer dan alleen persoonsgegevens zijn weggelakt.
Persoonlijke beleidsopvattingen artikel 5.2 Woo
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de mails van 28 november 2023, inzake de politieke-bestuurlijke gevoeligheid en mediagevoeligheid van dit Woo-verzoek, de betreffende passages terecht met toepassing van artikel 5.2 van de Woo weggelakt. Na kennisneming van de geheime stukken is de rechtbank namelijk niet gebleken van aanwijzingen dat hier geen sprake is van een persoonlijke beleidsopvatting in een stuk bedoeld voor intern beraad. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging artikel 5.3 Woo
12. Niet gebleken is dat verweerder in bestreden besluit I en II een gemotiveerde belangenafweging heeft gemaakt op grond van artikel 5.3 Woo, waaruit blijkt dat de belangen beschreven in de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, lid 2 Woo en artikel 5.2 Woo na een tijdsverloop langer dan 5 jaar nog steeds zwaarder wegen dan het belang bij openbaarheid van de informatie uit deze documenten. Dit is een motiveringsgebrek in de bestreden besluitvorming en reeds daarom is het beroep gegrond.
12.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de aanvullende toelichting in het verweerschrift en op de zitting afdoende gemotiveerd waarom de belangen bij geheimhouding van informatie van vijf jaar of ouder nog steeds zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat alle informatie die op dit moment ouder dan vijf jaar is en die op grond van artikel 5.1, lid 2 en artikel 5.2 van de Woo weggelakt is in de openbaargemaakte documenten, ziet op informatie over nog lopende strafrechtelijke en fiscaalrechtelijke onderzoeken. Verweerder mocht op basis van de c-grond respectievelijk de d-grond dan ook tegenwerpen dat het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten, dan wel het belang van inspectie, controle en toezicht door de fiscus hier nog steeds zwaarder mag wegen, nu openbaarheid van deze informatie de voortvarende behandeling en afronding van deze lopende zaken namelijk kan schaden. Ook het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokken ambtenaren onder de e-grond, ook al zijn deze na vijf jaar niet meer bij verweerder in dienst, mag naar het oordeel van de rechtbank voor deze informatie nog steeds zwaarder wegen dan het algemene belang bij openbaarheid. De persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke veiligheid van betrokkenen kan namelijk ernstig geschaad worden als dergelijke informatie bekend wordt bij door hen onderzochte personen. De rechtbank is na kennisneming van de geheime stukken tot het oordeel gekomen dat geheimhouding van deze informatie om voornoemde redenen nog steeds gerechtvaardigd is.
Artikel 5.5 Woo
13. Tot slot heeft verweerder mogen weigeren om eiser op grond van artikel 5.5 Woo inzicht te geven in de op hem betrekking hebbende informatie over de onder dit Woo-verzoek vallende onderwerpen. Relevant daarbij is dat uit jurisprudentie [14] van de Afdeling volgt dat verweerder artikel 5.5 van de Woo niet mag toepassen op informatie die onder de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Awr Pro valt. Uit de frase “onverminderd het elders bij wet bepaalde” van artikel 5.5, eerste lid van de Woo volgt namelijk dat artikel 5.5 Woo een ‘vangnetbepaling’ betreft, waar de strikte fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 Awr Pro aan vooraf gaat. Nu er sprake is van nog lopende fiscale procedures tussen eiser en verweerder met een relatie tot de onderwerpen van dit Woo-verzoek, mocht verweerder artikel 67 Awr Pro in dit geval tegenwerpen. De stelling van eiser dat de wettekst van artikel 5.5, lid 1 Woo expliciet spreekt over ‘verstrekken’ van informatie aan een individuele rechtszoekende, doet aan het voorgaande niet af.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond en zowel bestreden besluit I als II komen gelet op het motiveringsgebrek ten aanzien van artikel 5.3 Woo voor vernietiging in aanmerking.
15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de toelichting in het verweerschrift en op de zitting het gebrek in de motivering van de bestreden besluiten I en II heeft hersteld en verwijst daarvoor naar rechtsoverweging 12.1 van deze uitspraak. De rechtbank ziet met het oog op finale geschilbeslechting dan ook aanleiding om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de twee vernietigde besluiten op bezwaar.
16. Het voorgaande betekent dat verweerder met de toelichting in de beroepsfase alsnog het motiveringsgebrek hersteld heeft en om die reden niet opnieuw hoeft te beslissen op het bezwaar.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu er niet van vergoedbare kosten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht 2026 is gebleken.
18. Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder op grond van artikel 8:74, lid 1 van de Awb het destijds verschuldigde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt bestreden besluit I en II;
  • laat de rechtsgevolgen van bestreden besluit I en II in stand;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak ziet u hierboven vermeld met een stempel.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie deze link voor alle openbaargemaakte documenten onder dit Woo-verzoek:
2.Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Met verwijzing naar o.a. een conclusie van advocaat-generaal Koopman, ECLI:NL:PHR:2025:1359.
4.Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2594, en 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:721
5.De Wob was de rechtsvoorganger van Woo. Per 1 mei 2022 is de Woo zonder overgangsrecht in werking getreden en heeft de Wob integraal vervangen.
6.Zoals bijvoorbeeld via artikel 8:42 Awb Pro voor de fiscale procedures.
7.Zie deze link:
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367.
10.Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 2 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1340, rechtsoverweging 9.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:190.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4210, meer specifiek rechtsoverweging 5 en 5.1.
13.Zoals recent bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4210, rechtsoverwegingen 5, 5.1 en 6.
14.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4984.