ECLI:NL:RBDHA:2026:9241

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL24.32834
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verleent machtiging tot voorlopig verblijf na onzorgvuldige belangenafweging in gezinsherenigingszaak

Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) als familie- of gezinslid bij referent, welke door de minister werd afgewezen. Na meerdere bezwaar- en beroepsprocedures oordeelt de rechtbank dat de belangenafweging door de minister onzorgvuldig en feitelijk onjuist is uitgevoerd.

De rechtbank constateert dat het jongvolwassenenbeleid bij eerste toelating in de praktijk geen betekenis heeft, het beoordelingsmoment onduidelijk is en de argumentatie van de minister onredelijk is. De rechtbank weegt de belangen opnieuw en concludeert dat er sprake is van gezinsleven en hechte persoonlijke banden, en dat de objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië voort te zetten zwaar weegt.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en besluit zelf dat eisers een machtiging tot voorlopig verblijf moet worden verleend. Tevens veroordeelt zij de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en verleent eisers een machtiging tot voorlopig verblijf.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32834

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer 1] , eiser,
[eiseres], V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres, mede namens hun kinderen:
[kind 1], V-nummer: [v-nummer 3] ,
[kind 2], V-nummer: [v-nummer 4] ,
[kind 3], V-nummer: [v-nummer 5] ,
[kind 4], V-nummer: [v-nummer 6] ,
hierna gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. H.M.A. Breuls),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is genomen
.Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eisers alsnog een verblijfsvergunning krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 t/m 7 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 11. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] , V-nummer: [v-nummer 7] ’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 21 september 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 juli 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent [referent] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eisers hebben op 24 november 2020 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 21 september 2021 heeft de minister die aanvraag afgewezen. Op 14 april 2022 heeft de minister het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Daarin is – samengevat – gezinsleven aangenomen tussen de ouders en referent, maar niet tussen de broers en zus en referent omdat referent al meerderjarig was en er geen hechte persoonlijke banden (HPB) zijn. De gezinsbanden tussen de ouders en de kinderen zijn niet met DNA-onderzoek geverifieerd omdat de belangenafweging al in hun nadeel uitvalt. Daarover heeft de minister overwogen dat het economisch belang van de Nederlandse Staat zwaarder weegt, dat er wel jongvolwassenenbeleid van toepassing is maar dat er een restrictief toelatingsbeleid geldt en dat de kinderen er meer belang bij hebben om bij hun ouders te blijven dan bij hun broer in Nederland te zijn. Op 30 september 2022 heeft een ambtelijke hoorzitting plaatsgevonden en op 5 oktober 2022 is een aanvullend besluit genomen. Daarin is nader uitgewerkt dat er geen HPB zijn tussen de broers en zus en referent en is aan de belangenafweging toegevoegd dat er weliswaar wel een objectieve belemmering geldt voor Syrië, maar is het economisch belang nader uitgewerkt en zijn ook de banden met het land van herkomst in het nadeel van eisers meegewogen.
4. Bij uitspraak van 19 januari 2023 is het beroep van eisers daartegen gegrond verklaard. [1] Daartoe is – samengevat – overwogen dat de HPB ten onrechte alleen zijn meegewogen bij het gezinsleven maar niet bij de belangenafweging. Of er HPB zijn mag wel meewegen maar mag niet doorslaggevend zijn. De minister had dit aspect in de belangenafweging moeten betrekken in samenhang met de overige aspecten. Verder had in het voordeel moeten wegen dat referent met zijn broertjes en zusje heeft samengewoond tot zijn vertrek in 2019. Ook heeft de rechtbank geconstateerd dat niet in geschil is dat het jongvolwassenenbeleid van toepassing is, maar dat ten onrechte niet in de belangenafweging is betrokken dat de scheiding onvrijwillig was en ze voorheen samenwoonden. Ook de veiligheidssituatie in Syrië, de dood van een oudere broer en de huidige slechte leefomstandigheden hadden bij de belangenafweging moeten worden betrokken. De rechtbank heeft de minister daarom opgedragen een nieuw besluit te nemen.
5. De minister heeft vervolgens op 1 maart 2023 een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen, waarbij het bezwaar weer ongegrond is verklaard. Daarin is – samengevat – overwogen dat er gezinsleven wordt aangenomen tussen de ouders en referent en ook zijn HPB en gezinsleven tussen de broers en zus en referent aangenomen. Verder zijn de algemene veiligheidssituatie en de slechte leefomstandigheden meegewogen, waardoor wel begrijpelijk is dat ze bij elkaar willen zijn maar is geconcludeerd dat dit niet genoeg is om afhankelijkheid aan te nemen. Ten slotte is geconcludeerd dat het feit dat ze onvrijwillig gescheiden zijn en voor het vertrek samenwoonden de conclusie niet anders maakt omdat referent meerderjarig is.
6. Bij uitspraak van 7 december 2023 is het beroep van eisers daartegen gegrond verklaard. [2] Daartoe is – samengevat – overwogen dat de rechtbank het besluit zo begrijpt dat de familierechtelijke relatie niet definitief is aangetoond maar dat wel gezinsleven en HPB wordt aangenomen omdat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. Er is nu wel genoeg ingegaan op de veiligheidssituatie en de huidige leefomstandigheden. Niet is gebleken dat het gezin voor hun veiligheid of leefsituatie afhankelijk is van referent. Dat hij hen emotioneel en financieel bijstaat maakt dat niet anders. De rechtbank is met betrekking tot de belangenafweging van oordeel dat deze weer onjuist heeft plaatsgevonden. Uit de belangenafweging blijkt namelijk niet op welke wijze de aard en de hechtheid van de gezinsband bij de afweging is betrokken. Ook blijkt niet hoe de onvrijwillige scheiding is meegewogen. Er is alleen vastgesteld dat referent niet wordt tegengeworpen dat hij zelfstandig woont, meerderjarig is en stappen naar zelfstandigheid zet, maar niet inzichtelijk is gemaakt hoe dat uitpakt in de belangenafweging en als dat in het nadeel van eisers weegt, hoe zich dat verhoudt tot het jongvolwassenenbeleid. De rechtbank heeft de minister daarom opgedragen een nieuw besluit te nemen.
7. Op 17 januari 2024 heeft de minister vervolgens een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen. Dat besluit is op 16 mei 2024 ingetrokken. Op 3 juli 2024 heeft de minister een nadere hoorzitting gehouden. In het bestreden besluit van 25 juli 2024 heeft de minister opnieuw het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Daarin is – samengevat – overwogen dat referent weliswaar een nieuwe relatie heeft met een Nederlandse vrouw en een dochtertje, maar dat dit het gezinsleven niet verandert. Er wordt geen DNA-onderzoek uitgevoerd omdat de belangenafweging al in het nadeel uitvalt. In het voordeel van eisers weegt dat de scheiding onvrijwillig was en dat zij tot aan het vertrek van referent hebben samengewoond. In het nadeel van eisers is toegevoegd dat het een eerste toelating betreft, waardoor het belang van de Nederlandse Staat zwaarder weegt. Over de verhouding tussen het jongvolwassenenbeleid en de stappen naar zelfstandigheid is overwogen dat dit in het nadeel van eisers uitvalt omdat de aard en de intensiteit van het gezinsleven is afgenomen. De minister verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2022 [3] waaruit volgt dat van een jongvolwassene na verloop van tijd zelfredzaamheid mag worden verwacht. Niet is gebleken dat referent nog afhankelijk is van zijn ouders en andersom ook niet. Er is een minder intensief gezinsleven en het contact kan op afstand blijven plaatsvinden. Over de veiligheidssituatie in Syrië en het overlijden van de oudere broer is overwogen dat het wel begrijpelijk is dat ze bij elkaar willen zijn, maar dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid (BEVA) zijn. Over de leefomstandigheden is niet gebleken dat eisers voor hun veiligheid of leefsituatie van referent afhankelijk zijn. Over het economisch belang is herhaald dat het weliswaar minder zwaar tegen referent uitpakt omdat hij nog kort in Nederland is en is vrijgesteld is van het inkomensvereiste, maar dat hij ook heeft verklaard dat hij middelen van bestaan heeft en geen uitkering meer krijgt. Naast het economisch belang zijn ook overige belangen meegewogen dus is het niet oneigenlijk gewogen. Het gaat bij het economisch belang niet alleen om of het gezin elkaar kan onderhouden, maar ook om bescherming van de arbeidsmarkt en de voorzieningen. Dat referent enig inkomen heeft laat onverlet dat het gezin een beroep gaat doen op de openbare kas. Dat het gezin ook wil werken maakt dat niet anders want dat is een onzekere toekomstige gebeurtenis en er zijn wel voorzieningen nodig. In het nadeel weegt ook dat referent niet is voorbereid op hun komst omdat het gezin niet in zijn huis past. Dat hij later een groter huis zal krijgen is een onzekere toekomstige gebeurtenis. Hij heeft onvoldoende inkomsten want hij heeft verklaard dat het gezin zelf zal moeten gaan werken. Aan het economisch belang is toegevoegd dat is gesteld dat een andere broer in Nederland werkt bij [bedrijf] , maar dat hij nog Nederlands aan het leren is waardoor hij niet direct een baan zal krijgen en uit de overgelegde salarisspecificaties blijkt niet dat het op die broer ziet. Over de financiële ondersteuning herhaalt de minister dat niet is aangetoond dat referent per maand 200 euro opstuurt. De bankafschriften tonen alleen aan dat er geld is opgenomen. Daaraan is in dit besluit toegevoegd dat de bewijzen van het overmaken van geld niet zijn vertaald en dus niet verifieerbaar zijn. Ook als het wel wordt aangenomen, kan dat op afstand doorgaan.
Niet in geschil
8. Tussen partijen is niet in geschil dat:
  • hetgeen aan documenten en verklaringen is aangeleverd en wat hierover in documentonderzoek is geconcludeerd, voldoende aanleiding geeft om eisers het voordeel van de twijfel te geven en nader onderzoek aan te bieden;
  • sprake is van gezinsleven tussen de ouders en referent en ook tussen referent en zijn broertjes en zusje;
  • de nieuwe relatie van referent met een Nederlandse vrouw en zijn dochtertje, het gezinsleven met het gezin niet verandert;
  • er een objectieve belemmering bestaat het gezinsleven in Syrië uit te voeren.
Wat is het standpunt van eisers?
9. Eisers stellen dat sprake is van machtsmisbruik omdat de aanvraag steeds opnieuw om nagenoeg dezelfde reden wordt afgewezen. Eisers verzoeken daarom de rechtbank om finaal te beslechten en zelf een belangenafweging te maken. Eisers stellen dat weliswaar in hun voordeel is meegewogen dat er een objectieve belemmering is het gezinsleven in Syrië uit te voeren, maar dat uit de uitspraak van 15 februari 2024 [4] volgt dat dit ook invloed heeft op de beslisruimte van de minister. De minister had moeten motiveren hoeveel gewicht er aan die belemmering is toegekend en daarbij is het onjuist om de gezinsband en de afhankelijkheid te relativeren. Verder kan bij het jongvolwassenenbeleid niet worden tegengeworpen dat referent niet in hun onderhoud kan voorzien. Verder is ten onrechte overwogen dat de aard en intensiteit van het gezinsleven is afgenomen omdat het verstrijken van de tijd niet door eisers maar door de minister komt. Daarbij is sprake van tegenstrijdigheid in het jongvolwassenenbeleid omdat enerzijds wordt verwacht dat iemand stappen naar zelfstandigheid zet maar anderzijds wordt tegengeworpen dat de afhankelijkheid is afgenomen. Er is bovendien geen gewijzigd gezinsleven want referent is nog steeds afhankelijk van het gezin en doet alles omdat hij hereniging wil en steun nodig heeft. Er kan niet in de belangenafweging aan het jongvolwassenenbeleid gepeuterd worden als dat al bij het gezinsleven is vastgesteld. Uit de uitspraak van 29 mei 2024 [5] volgt dat het feit dat bewust is gekozen geen gezinshereniging te regelen voor meerderjarigen, niet betekent dat de Gezinsherenigingsrichtlijn geen betekenis meer heeft. Op deze manier wordt gezinshereniging voor jongvolwassenen onmogelijk gemaakt, te meer nu de tijd hem wordt tegengeworpen. Verder is het gezin wel voor hun veiligheid van referent afhankelijk, want gezinshereniging zou een eind maken aan hun onveiligheid. Ook heeft referent aanvullend bewijs overgelegd over het inkomen van de andere broer in Nederland. Referent en die broer kunnen samen het gezin onderhouden dus zal geen beroep worden gedaan op de openbare kas. Op de zitting heeft referent nog toegelicht dat er inmiddels twee andere broers in Nederland zijn. Het is moeilijk aan te tonen dat referent eisers nu financieel ondersteunt omdat vanwege de sanctiemaatregelen geen geld mag worden overgemaakt naar een Syrische bankrekening en referent dus contant geld moet meegeven aan kennissen. Dat de arbeidsmarkt beschermd moet worden is een non-argument want er heersen al jarenlang personeelstekorten. Ook is onredelijk dat referent alvast een groter huis regelt, terwijl hij al jarenlang afwijzingen krijgt. Hij is in staat een vakantiewoning te huren zodra ze kunnen komen. Verder zijn ten onrechte de banden met het land van herkomst in het nadeel meegewogen. Eisers zouden in Nederland direct in aanmerking komen voor een asielvergunning. Daarnaast hebben zij wel banden met Nederland nu de ouders drie zoons en twee kleinkinderen in Nederland hebben. Bovendien verstoort de objectieve belemmering en de dood van de oudere broer hun banden met Syrië. Eisers stellen dat niet zozeer iets is vergeten bij de belangenafweging, maar dat de weging van de belangen anders had moeten uitvallen.
Wat is het standpunt van de minister?
10. De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van machtsmisbruik. Met inachtneming van de twee uitspraken over de motiveringsgebreken heeft de minister met een aanvullende motivering beslist op het bezwaar. De minister stelt primair dat de belangenafweging op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Subsidiair verzoekt de minister bij een eventueel gebrek de rechtsgevolgen in stand te laten met het oog op het tijdverloop en omdat een aanvullende belangenafweging niet tot een ander resultaat zal leiden. De minister heeft op de zitting toegelicht dat sprake is van een eerste toelating, er dus geen inmenging door de overheid is en dat het belang van de overheid dan vaak zwaar weegt. Er is weliswaar sprake van gezinsleven op grond van het jongvolwassenenbeleid, maar in het nadeel weegt dat referent volwassen is en dat hij steeds meer stappen naar zelfstandigheid heeft gezet waardoor de aard en intensiteit van het gezinsleven met eisers is afgenomen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024 volgt dat dit wel in het nadeel mag wegen, zij het in beperkte mate. [6] Daardoor is niet gebleken dat referent nog afhankelijk is van zijn ouders en andersom kunnen zij ook zonder referent functioneren. Ook is niet gebleken dat zij door de veiligheidssituatie in Syrië voor hun persoonlijke veiligheid specifiek van referent afhankelijk zijn. Daarnaast is niet aangetoond dat sprake is van financiële afhankelijkheid. Zwaar in het nadeel weegt het economisch belang van de Nederlandse overheid. Daarbij is niet alleen belangrijk of referent voldoende middelen heeft; de bescherming van de arbeidsmarkt en openbare voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en infrastructuur is ook van belang. In hun nadeel weegt mee dat niet aannemelijk is dat zij daar helemaal geen beroep op zullen doen. Dat eisers een positieve bijdrage kunnen gaan leveren is een onzekere toekomstige gebeurtenis. Ze spreken de Nederlandse taal niet en zullen niet direct een baan hebben. Ook weegt in het nadeel dat referent onvoldoende woonruimte heeft. Daarbij betrekt de minister dat het zes familieleden betreft. Verder weegt in het nadeel dat de banden van eisers met Syrië sterker zijn dan de banden met Nederland. Niet is aangetoond dat referent eisers financieel ondersteunt. Primair stelt de minister dat de recente stukken over de inkomens en geldtransfers niet bij de ex-tunc toets worden betrokken, subsidiair stelt de minister dat de facturen nog onvoldoende inzicht geven in de inkomsten en de geldtransfers geen langere periode betreffen waardoor daarmee geen afhankelijkheid is aangetoond. Er is weliswaar een objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te voeren, maar het gezinsleven is niet zodanig sterk dat het niet op afstand kan worden voortgezet. De minister stelt dat de objectieve belemmering geen invloed heeft op de beslisruimte en verwijst daarbij naar een aantal uitspraken. Het familieleven, het ontbreken van strafrechtelijke antecedenten, de gedwongen scheiding en het feit dat ze tot het vertrek van referent hebben samengewoond zijn meegewogen, maar het belang van de Nederlandse overheid weegt zwaarder dan het belang van eisers.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Toetsingsintensiteit
11. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de bestuursrechter zonder terughoudendheid moet toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij de belangenafweging heeft betrokken, of de minister aan die omstandigheden ook een concrete beoordeling heeft toegekend en of die concrete beoordeling ook feitelijk juist is. De bestuursrechter moet nagaan of de redenering van de minister in objectieve zin begrijpelijk is. Dat wil zeggen, of de redenering aansluit bij de relevante feiten en omstandigheden van het voorliggende geval. Vervolgens geldt voor de weging van die feiten en omstandigheden een margin of appreciation en dat moet de rechtbank daarom enigszins terughoudend toetsen. [7]
Conclusie over de zorgvuldigheid van de belangenafweging
12. De rechtbank is van oordeel dat de concrete beoordeling van de relevante feiten en omstandigheden feitelijk onjuist en in objectieve zin niet begrijpelijk is. De belangenafweging heeft dan ook onzorgvuldig plaatsgevonden en kan niet in stand blijven. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Uitzonderingen in de praktijk
12.1.
De minister heeft op de zitting toegelicht dat vooral van belang is dat het gaat om een eerste toelating, dat er een restrictief toelatingsbeleid geldt en dat al dit soort zaken zo worden benaderd. De rechtbank maakt daaruit op dat het dus niet alleen in het geval van eisers, maar in alle vergelijkbare gevallen waarbij het gaat om een eerste toelating, in beginsel het uitgangspunt is dat de belangenafweging in het nadeel van de vreemdeling uitvalt vanwege een restrictief toelatingsbeleid. Eisers hebben er terecht op gewezen dat in het kader van nareis altijd sprake is van een eerste toelating en dat de Afdeling heeft geoordeeld [8] dat dit niet betekent dat de toepassing van de Gezinsherenigingsrichtlijn in reguliere zaken van meerderjarige kinderen en hun ouders geen betekenis heeft. Ook wijst de rechtbank op een andere uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024 waarin is geoordeeld dat de minister een te strenge beoordeling toepast door alleen te beoordelen of er uitzonderlijke omstandigheden aan de orde zijn. [9] Er moet sprake zijn van een evenwichtige beoordeling en een ‘fair balance’. Het standpunt van de minister op zitting wekt echter de indruk dat een doorslaggevend belang aan het economisch belang van de Nederlandse Staat wordt toegekend en dat er eigenlijk geen situatie denkbaar is waarin de belangenafweging in het voordeel van de vreemdeling uitvalt. Dat de woorden zoals ‘in beginsel’ en ‘uitgangspunt’ wel ruimte bieden voor een uitzondering, rechtvaardigt niet de conclusie dat het in de praktijk ook voor komt. Dat vermoeden wordt versterkt door de stelling van de minister op de zitting dat een vernietiging op grond van een motiveringsgebrek geen zin heeft omdat een volgend besluit dezelfde uitkomst zal hebben. Dit roept bij de rechtbank het ernstige vermoeden op dat de minister feitelijk geen belangenafweging uitvoert en het jongvolwassenenbeleid bij een eerste toelating in de praktijk geen betekenis heeft. De rechtbank betrekt daarbij ook wat hierna wordt overwogen over het beoordelingsmoment en de gebruikte motiveringen van de minister die, linksom of rechtsom, in het nadeel van de vreemdeling worden uitgelegd.
Onduidelijk beoordelingsmoment
12.2.
De rechtbank ziet zich ook voor de vraag gesteld wat het beoordelingsmoment is in het kader van de belangenafweging. Voor zover de minister op de zitting heeft beoogd te betogen dat voor de vaststelling van het gezinsleven en de toepassing van het jongvolwassenenbeleid van belang is hoe de situatie was ten tijde van de aanvraag en dat voor de belangenafweging het moment van het bestreden besluit bepalend is, volgt de rechtbank dat niet. Eisers hebben er terecht op gewezen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024 volgt dat de minister het economisch belang van Nederland en het belang van de vreemdeling moet waarderen in het licht van alle omstandigheden van het geval en dat het EHRM daarbij de omstandigheden heeft betrokken tot aan het moment dat de afwijzing van de gezinsherenigingsaanvraag in rechte onaantastbaar werd. Daaruit volgt dat voor de belangenafweging sprake is van een ex-nunc toetsing, zodat ook de financiële stukken die eisers in beroep hebben overgelegd zouden moeten worden meegenomen. Aangezien de minister ter zitting wel een subsidiair standpunt over de financiële stukken heeft ingenomen, verbindt de rechtbank daar geen consequentie aan. Wel is de rechtbank van oordeel dat de onduidelijkheid over het beoordelingsmoment bijdraagt aan twijfel aan de zorgvuldigheid van de belangenafweging. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de uitvoering van het door de minister gehanteerde toetsingsmoment in dit geval niet evenredig uitpakt. Immers geconcludeerd is dat de aard en intensiteit van het gezinsleven op het moment van de meest recente beslissing op bezwaar inmiddels door het tijdverloop zou zijn afgenomen, terwijl de reden voor dat tijdverloop ligt in de vele besluiten en procedures die zijn gevoerd. Het mag naar het oordeel van de rechtbank niet zo zijn dat eisers als gevolg van de gebrekkige besluitvorming door de minister, wat blijkt uit het feit dat eisers meerdere keren succesvol rechtsmiddelen hebben ingeroepen, nu in een nadeliger positie terecht komen.
Wijze van argumentatie
12.3.
De rechtbank overweegt verder dat de minister de argumenten in de belangenafweging op een onredelijke manier hanteert. Hiertoe overweegt de rechtbank allereerst dat onduidelijk is of daadwerkelijk een verschil is tussen het belang van het restrictieve toelatingsbeleid en het economisch belang of dat hetzelfde belang feitelijk dubbel wordt gewogen. Met betrekking tot het economisch belang stelt de minister zich enerzijds op het standpunt dat de toekomst niet kan worden meegenomen omdat het een onzekere toekomstige gebeurtenis is dat het gezin een positieve bijdrage zal gaan leveren aan de Nederlandse samenleving, maar anderzijds dat de toekomst wel kan worden meegenomen omdat in hun nadeel weegt dat eisers in de toekomst een beroep zullen gaan doen op de openbare kas. De nuancering die de minister daarop ter zitting heeft willen maken dat er, gelet op het gebrek aan onderbouwing, een inschatting is gemaakt van de kans op een belasting van de openbare kas, maakt de redenering nog niet sluitend. Daargelaten dat het onduidelijk is over welke termijn de minister deze inschatting heeft gemaakt, kan het niet zo zijn dat in het nadeel van eisers weegt dat zij geen werk zullen krijgen en daarom een beroep zullen moeten doen op de openbare kas, maar dat het ook in hun nadeel weegt als eisers wel werk zullen krijgen omdat zij dan een inbreuk vormen op de arbeidsmarkt. Hetzelfde geldt voor het standpunt van de minister dat het in hun nadeel weegt dat referent onvoldoende woonruimte of inkomen heeft om het gezin te onderhouden, maar dat het ook in hun nadeel weegt als referent dat wel heeft, omdat hij dan dusdanige stappen naar zelfstandigheid heeft gezet dat daardoor de aard en intensiteit van het gezinsleven is afgenomen. In dat verband hebben eisers terecht erop gewezen dat in de door hen genoemde uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024 is overwogen dat de minister in de belangenafweging moet kijken of referent alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden, ter voorkoming dat hij met een belangenafweging het jongvolwassenenbeleid illusoir maakt door het onmogelijke te verwachten. De minister heeft echter niet in het voordeel laten wegen dat referent heeft gedaan wat verwacht mag worden, maar juist in het nadeel laten wegen dat referent stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. Verder is over de veiligheidssituatie in Syrië en het overlijden van de oudere broer bij een bombardemoment ten onrechte gemotiveerd dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid (BEVA). De vraag of daarvan sprake is hoort immers niet thuis bij een belangenafweging.
Zelf voorzien of niet?
13. De rechtbank is zich bewust van de door de Afdeling uitgezette lijn [10] dat de bestuursrechter niet zijn eigen oordeel over de belangenafweging in de plaats mag stellen van de belangenafweging van de minister, maar ziet in dit geval aanleiding daarvan af te wijken. Gelet op het feit dat de aanvraag dateert van 24 november 2020 en daarmee 5,5 jaar geleden is ingediend, dit inmiddels de vijfde beslissing op bezwaar is, er al twee uitspraken door de rechtbank zijn gedaan waarin specifiek de belangenafweging is vernietigd en beide partijen hebben verzocht om finale geschilbeslechting, ziet de rechtbank in dit geval aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. [11] Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat de minister op de zitting al op voorhand te kennen heeft gegeven dat een vernietiging van het bestreden besluit in een toekomstig besluit niet tot een andere uitkomst zal leiden.
Belangenafweging
14. De rechtbank is, na een evenwichtige beoordeling van de belangen, van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van eisers uitvalt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
14.1.
In het voordeel van eisers weegt dat met het van toepassing zijnde jongvolwassenenbeleid sprake is van enige afhankelijkheid tussen referent en eisers. Tot het vertrek van referent hebben eisers en referent altijd samengewoond en zij zijn onvrijwillig gescheiden. Verder weegt in het voordeel dat referent sindsdien alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden om zijn financiën te regelen en dat daaruit ook een ontwikkeling blijkt dat referent juist steeds meer in staat is geworden om het gezin te ondersteunen in het onderhoud. Van referent hoeft geen absoluut dekkende financiering verwacht te worden omdat dat van referent als jongvolwassene ook niet kan worden verlangd. Immers anders zou daarmee het jongvolwassenenbeleid feitelijk illusoir worden, zeker als, zoals in het geval van referent, zes gezinsleden moeten worden onderhouden. Inmiddels heeft referent met de overgelegde stukken [12] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij inkomen heeft waarmee hij een woonruimte zou kunnen huren voor het gezin en aan hun dagelijks onderhoud kan bijdragen en dat ook zijn broer [naam] , geboren op [geboortedatum] 2002, een eenmanszaak heeft die in de periode van juli t/m september 2024 inkomsten heeft gegenereerd. Of referent op dit moment al in hun onderhoud voorziet en of het gezin nu van referent afhankelijk is, speelt daarbij geen rol aangezien afhankelijkheid van referent niet vereist is. Ook weegt mee dat het zusje en twee van de broertjes van referent inmiddels meerderjarig zijn, waardoor voorzienbaar is dat zij wellicht relatief kort een beroep zullen doen op de openbare kas voor onderwijs en relatief lang een bijdrage aan de samenleving zullen gaan leveren door arbeid te verrichten. Ook de ouders zijn met middelbare leeftijd nog vele jaren in staat arbeid te verrichten. Referent heeft ook verklaard dat de gezinsleden graag willen gaan werken. Op voorhand kan niet worden gezegd dat zij een beroep zullen gaan uitoefenen waarin al druk op de arbeidsmarkt bestaat, waardoor dit niet op voorhand in hun nadeel kan worden gewogen. Er zijn geen aanwijzingen dat er op dit moment medische problematiek speelt bij de gezinsleden. In het voordeel weegt ook dat geen sprake is van antecedenten. Verder weegt in het voordeel van eisers dat er een objectieve belemmering bestaat het gezinsleven in Syrië uit te oefenen. Uit de verklaringen volgt dat het in het belang van alle gezinsleden is om bij elkaar te zijn en de rechtbank ziet daarvoor geen contra-indicaties. De slechte algemene veiligheidssituatie in Syrië en het overlijden van de oudere broer bij een bombardement ondersteunt eerder dat belang.
14.2.
In het nadeel van eisers weegt de binding van de gezinsleden met het land van herkomst. Die binding is aanwezig omdat eisers altijd in Syrië hebben gewoond, terwijl zij nooit in Nederland hebben gewoond en ook de taal niet spreken. Die binding wordt wel afgezwakt omdat inmiddels drie broers (referent en twee broers) in Nederland en een zus in Noorwegen (zoals referent ter zitting heeft verklaard) verblijven. Verder weegt in het nadeel het restrictieve toelatingsbeleid, dat bij een eerste toelating zwaarder weegt dan wanneer sprake zou zijn van inmenging in het gezinsleven omdat met de komst van eisers voorzienbaar de eerste periode wel gedeeltelijk een beroep zal worden gedaan op de openbare kas voor opleiding, en op de langere termijn ook een beroep zal worden gedaan op de arbeidsmarkt en huisvesting. De zwaarte daarvan wordt iets afgenomen omdat referent en zijn broer kunnen bijdragen in hun onderhoud en referent ook heeft verklaard dat hij wellicht bij zijn broer zal gaan inwonen zodat hij zijn eigen woonruimte kan afstaan aan het gezin. Licht in het nadeel weegt ook dat, hoewel sprake is van toepassing van het jongvolwassenenbeleid, de aard en intensiteit van het gezinsleven enigszins zijn afgenomen omdat referent stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. De rechtbank benadrukt daarbij wel dat, voor zover sinds de eerste beslissing op bezwaar en de laatste beslissing op bezwaar de aard en intensiteit van het gezinsleven zijn afgenomen, daaraan niet dat gewicht toekomt dat de minister daaraan wenst toe te kennen omdat dit veroorzaakt is door de gebrekkige en langdurige besluitvorming van de minister zelf.
Familieband
15. De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat aan eisers nog DNA-onderzoek moet worden aangeboden om de familierechtelijke relatie aan te tonen, omdat de minister eisers tot op heden ten aanzien van de documentatie het voordeel van de twijfel heeft gegeven, gezinsleven en hechte persoonlijke banden heeft aangenomen en een belangenafweging heeft gemaakt. De rechtbank is gelet op de lange periode van procedures van oordeel dat de familierechtelijke relatie met referent in dit geval moet worden aangenomen.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand blijft. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
17. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat aan eisers een machtiging tot voorlopig verblijf moet worden verleend voor verblijf bij referent.
17.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eisers hebben in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, twee hoorzittingen bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.866,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 25 juli 2024;
- bepaalt dat het bezwaar gegrond is;
- bepaalt dat een machtiging tot voorlopig verblijf voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ moet worden verleend en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194 aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.866,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer: NL22.8510.
2.Zaaknummer: NL23.9776, ECLI:NL:RBOVE:2023:4986.
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2485.
4.Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 15 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2166.
5.Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
7.Zie de uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187 en 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4790.
8.In de uitspraak van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
10.Zoals in de eerder genoemde uitspraak van 27 maart 2024.
11.Onder verwijzing naar de verplichting zoveel mogelijk finaal te beslechten conform artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte conform artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
12.Te weten: een brief van Defensie over een vergoedingsovereenkomst, een bankafschrift met de ontvangen vergoeding van Defensie in februari 2024, ontvangen salaris van Zara over januari en februari 2024 en een bankafschrift met ontvangen loon van januari 2026.