Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9419

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL25.15864 en NL24.1454
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:84 AwbArt. 6:9 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buitenbehandelingstelling verblijfsaanvraag bij onvoldoende stukken ongegrond verklaard

Eiseres, een Marokkaanse vrouw, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf bij familie en gezin'. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling omdat de aangeleverde stukken onvoldoende waren en niet tijdig werden aangevuld ondanks een verzoek daartoe. Eiseres betwistte dit en voerde aan dat de stukken eerder waren ingediend en verweerder onvoldoende had gecommuniceerd over de noodzakelijke documenten.

De rechtbank oordeelde dat verweerder duidelijk had aangegeven welke stukken ontbraken en dat de aanvullende stukken pas na de gestelde termijn waren ontvangen. Verweerder had daarom terecht geconcludeerd dat de aanvraag onvolledig was en buiten behandeling mocht worden gesteld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het ontbreken van hoorrecht in bezwaar faalden eveneens.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiseres kreeg geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van de verblijfsaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.15864 en NL24.1454
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres], [V-nummer], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

(gemachtigde: mr. J. Singh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch. R. Vink).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de buitenbehandelingstelling van haar aanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 18 december 2023 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 6 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1978 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij familie en gezin’ bij haar gestelde echtgenoot, de heer [naam] (hierna: referent). Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat de door eiseres overgelegde stukken onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verweerder heeft eiseres op 21 november 2023 per brief verzocht om haar aanvraag compleet te maken door op afspraak de leges te betalen en uiterlijk op 5 december 2023 de gevraagde gegevens en stukken aan te vullen. Eiseres is op 14 december 2023 bij het IND-loket geweest om de leges te betalen, maar heeft haar aanvraag niet op tijd aangevuld met stukken. Verweerder stelt uiteindelijk op 21 december 2023 de aanvullende stukken van eiseres te hebben ontvangen.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het er niet mee eens dat verweerder haar aanvraag niet in behandeling heeft genomen en voert het volgende aan. Uit verweerders dossier blijkt niet dat de stukken pas op 21 december 2023 zijn ontvangen, nu de stukken voor de brief van 21 november 2023 in het dossier zijn gevoegd en er geen ontvangststempel op is geplaatst. Verweerder kan daarom niet bewijzen dat de stukken te laat zijn binnengekomen. Daarnaast lag het vanwege de plicht om de aanvraag zorgvuldig te beoordelen op de weg van verweerder om contact op te nemen met eiseres om te controleren of het klopt dat zij geen stukken had overgelegd. Anders dan verweerder heeft gesteld, zijn de stukken ook niet per aangetekende post verzonden. Eiseres had dus geen verzend- of ontvangstbewijs. Nu voor eiseres niet te controleren is wanneer de stukken zijn ontvangen, moet de ontvangstdatum gelet op de
equality of armsin het voordeel van eiseres worden uitgelegd. Verder heeft verweerder niet kenbaar gemaakt welke documenten noodzakelijk zouden zijn om de aanvraag te behandelen en er zijn ook geen objectieve criteria over welke documenten voldoende zijn om de aanvraag in behandeling te nemen. Als de overgelegde documenten onvoldoende waren om de aanvraag in te willigen, had verweerder de aanvraag kunnen afwijzen. Daarnaast heeft verweerder in de bezwaarfase wel de vereiste documenten ontvangen. Hij heeft hierin ten onrechte geen aanleiding gezien om de aanvraag alsnog met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in behandeling te nemen, rekening houdend met de slechte gezondheidssituatie van referent. Tot slot heeft verweerder in de bezwaarfase eiseres ten onrechte niet gehoord, terwijl er onduidelijkheid bestond over het verzenden van documenten door de gemachtigde van eiseres en het ontvangen van die stukken door verweerder.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Verweerder heeft de bevoegdheid om een aanvraag buiten behandeling te stellen als de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van het besluit. [1] Verweerder moet de aanvrager dan wel eerst de gelegenheid geven om de aanvraag binnen een door hem gestelde termijn aan te vullen. Het is aan verweerder om te beoordelen of hij over voldoende gegevens en bescheiden beschikt om een besluit op de aanvraag te nemen. De omvang van het geding bij de rechter beperkt zich dan tot de rechtsvraag of het bestuursorgaan terecht heeft geconcludeerd dat de aanvraag onvolledig was en vervolgens om die reden buiten behandeling heeft mogen laten. [2] Voor de toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb is daarnaast van belang of de gevraagde gegevens binnen de hersteltermijn door het betreffende bestuursorgaan zijn ontvangen. De verzendtheorie van artikel 6:9 van Pro de Awb, waar verweerder op heeft gewezen in zijn verweerschrift, is hier niet van toepassing omdat dit ziet op het indienen van bezwaar- en beroepschriften en geen regels geeft over het verstrekken van gegevens die voor de beoordeling van een aanvraag nodig zijn. [3]
4.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn brief van 21 november 2023 heeft aangegeven dat de aanvraag niet compleet is. Verweerder heeft eiseres verzocht om de ontbrekende gegevens en bescheiden uiterlijk op 5 december 2023 alsnog aan te leveren. In de brief is aangegeven dat verweerder kan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen als eiseres de aanvraag niet compleet maakt. Verweerder heeft een schermafbeelding uit het systeem overgelegd waaruit blijkt dat verweerder de aanvullende stukken in het kader van de aanvraag op 21 december 2023 heeft ontvangen. Daarnaast zitten tussen de aangeleverde stukken twee stukken van na 5 december 2023, namelijk een medische afspraakbevestiging van 8 december 2023 en een overzicht van betaling van de Sociale Verzekeringsbank van 9 december 2023. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de aanvullende stukken niet voor 5 december 2023 ontvangen kunnen zijn.
4.2.
Verweerder heeft in de brief van 21 november 2023 duidelijk aangegeven welke gegevens en bescheiden nog misten. Ook bij de aanvraag is al aangegeven welke bewijsmiddelen aan de aanvraag toegevoegd moesten worden. De beroepsgrond van eiseres dat verweerder niet kenbaar heeft gemaakt welke documenten noodzakelijk zouden zijn, slaagt gelet hierop niet.
4.3.
De beroepsgrond van eiseres dat verweerder de aanvraag ook inhoudelijk had kunnen afwijzen als de bij de aanvraag overgelegde stukken onvoldoende waren voor een inwilliging, slaagt ook niet. Zoals onder 4. overwogen is het aan verweerder om te beoordelen of hij over voldoende gegevens en bescheiden beschikt om een besluit op de aanvraag te nemen. Verweerder was van oordeel dat hij over onvoldoende stukken beschikte om een besluit te nemen, en heeft daarom aanvullende stukken gevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank houden de gevraagde stukken verband met het beoogde verblijfsdoel en heeft verweerder deze stukken noodzakelijk kunnen vinden voor de beoordeling van de aanvraag. Daarbij vindt de rechtbank ook van belang dat onder de gevraagde stukken ook stukken zijn waarvan in het aanvraagformulier al is aangegeven dat deze overgelegd moeten worden, zoals een kopie van de ongehuwdverklaring en bewijsmiddelen van het inkomen van referent. Zoals in 4.1. is overwogen heeft verweerder de aanvullende stukken niet tijdig ontvangen. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat de aanvraag onvolledig was en heeft de aanvraag om die reden buiten behandeling mogen laten.
5. Bij het nemen van een besluit op bezwaar moet verweerder eerst en vooral beoordelen of het besluit tot niet in behandeling nemen van de aanvraag rechtmatig was, waarbij verweerder rekening mag houden met het bijzondere karakter van een besluit genomen krachtens artikel 4:5 van Pro de Awb. Verweerder is niet gehouden om ontbrekende gegevens en stukken die eiseres na het nemen van het besluit op de aanvraag alsnog heeft overgelegd bij de heroverweging in bezwaar in aanmerking te nemen, maar verweerder mag dit wel doen. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid, waarvan de rechter het al dan niet toepassen terughoudend moet toetsen. [4]
5.1.
Verweerder heeft in redelijkheid besloten de stukken die hij heeft ontvangen na het primaire besluit niet alsnog mee te nemen. Verweerder heeft, gelet op wat hiervoor is overwogen, terecht geconcludeerd dat het besluit tot niet in behandeling nemen rechtmatig was en dat er geen (verschoonbare) reden is gegeven voor het te laat indienen van de aanvullende stukken. Ook heeft verweerder in de gezondheidssituatie van referent geen reden hoeven zien om de aanvraag alsnog in behandeling te nemen, omdat niet is gebleken dat de aanwezigheid van eiseres in Nederland van belang is voor de gezondheidssituatie van referent.
6. Zoals de rechtbank onder 5. heeft overwogen, heeft verweerder in het besluit op bezwaar eerst en vooral moeten beoordelen of het niet in behandeling nemen van de aanvraag rechtmatig was. Omdat er geen (verschoonbare) reden is gegeven voor het te laat indienen van de aanvullende stukken, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel over bestond dat het bezwaar van eiseres niet zou leiden tot een andersluidend besluit. Verweerder hoefde eiseres daarom niet te horen in bezwaar.
7. Op de zitting heeft eiseres nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft in reactie daarop toegelicht dat geen sprake was van een vergelijkbare zaak, omdat verweerder in die zaak in bezwaar tot de conclusie was gekomen dat er wel voldoende stukken lagen om de aanvraag in behandeling te nemen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt gelet hierop niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
8.1.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [5] .
8.2.
Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.
2.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2060, r.o. 4.2.
3.Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA4636.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:59, r.o. 2.1.
5.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.