BRS.25.000704
Datum uitspraak: 8 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 16 mei 2025 in zaak nr. NL24.45487 in het geding tussen:
betrokkene
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij besluit van 11 november 2024 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 27 mei 2024 herroepen, bepaald dat de minister de behandeling van de aanvraag hervat en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A.J.M. Mohrmann, advocaat in Bussum, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. De minister heeft hem op 5 juli 2023 op grond van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek verleend van 31 maart 2023 tot 31 maart 2024. Op 21 maart 2024 heeft betrokkene een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘medische behandeling’.
1.1. De minister heeft de aanvraag op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb en paragraaf A3/7.2.5 van de Vc 2000 niet in behandeling genomen, omdat betrokkene niet de relevante medische gegevens van zijn huisarts heeft overgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene die gegevens niet in de aanvraagfase heeft overgelegd en dat de minister betrokkene de gelegenheid heeft geboden om zijn aanvraag compleet te maken. Ook is niet in geschil dat betrokkene de relevante medische gegevens in de bezwaarfase wel heeft overgelegd.
1.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister in het besluit van 11 november 2024 niet alleen had moeten beoordelen of zij in het besluit van 27 mei 2024 terecht de aanvraag niet in behandeling heeft genomen, maar ook of het handhaven van laatstgenoemd besluit opportuun is. Volgens de rechtbank heeft de minister niet in redelijkheid kunnen komen tot haar standpunt dat zij de aanvraag niet alsnog in behandeling neemt, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van betrokkene beperkt is en het alsnog in behandeling nemen van de aanvraag meer tijd kost dan de beoordeling van een volledig nieuwe aanvraag.
Het hoger beroep van de minister
2. De enige grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister de aanvraag alsnog in behandeling had moeten nemen.
2.1. Uit de uitspraken van de Afdeling van 26 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6620, onder 2.1.4, 12 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1905, onder 2.2, en 14 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:459, onder 2.1, volgt dat de minister bij het nemen van een besluit op bezwaar in het kader van de bestuurlijke heroverweging ingevolge artikel 7:11 van de Awb eerst en vooral moet beoordelen of het besluit tot niet in behandeling nemen van de aanvraag rechtmatig was, waarbij de minister rekening mag houden met het bijzondere karakter van een besluit genomen krachtens artikel 4:5 van de Awb. De minister is niet gehouden om ontbrekende gegevens en stukken die de vreemdeling na het nemen van het besluit op de aanvraag alsnog heeft overgelegd, bij de heroverweging in aanmerking te nemen, maar de minister mag dit wel doen. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid, waarvan de rechter het al dan niet toepassen ervan terughoudend moet toetsen. 2.2. De minister heeft er in het besluit van 11 november 2024 op gewezen dat betrokkene geen verschoonbare redenen heeft aangevoerd waarom hij niet tijdig de relevante medische gegevens heeft aangeleverd, ook niet nadat zij daarvoor een extra termijn had gegeven. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat betrokkene summier heeft verklaard over de redenen daarvoor en dat betrokkene bij de aanvraag werd bijgestaan door een gemachtigde die, vanwege de eerdere procedure van betrokkene, bekend is met zijn psychische problemen. Betrokkene heeft er vervolgens in zijn bezwaarschrift op gewezen dat de gemachtigde Vluchtelingenwerk heeft ingeschakeld ter ondersteuning bij het aanleveren van de relevante gegevens, maar de minister heeft erop mogen wijzen dat betrokkene niet heeft toegelicht waarom Vluchtelingenwerk de gegevens niet tijdig heeft overgelegd. Daarom heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zij niet gehouden was de aanvraag van betrokkene alsnog in behandeling te nemen. De grief slaagt.
Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene
3. Betrokkene heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het door de minister ingestelde hoger beroep gegrond is. Omdat dit hoger beroep, gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, gegrond is, wordt deze voorwaarde vervuld en zal de Afdeling het incidenteel hoger beroep van betrokkene inhoudelijk beoordelen.
4. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie hoger beroepen
5. Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is ongegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep
6. Betrokkene heeft betoogd dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar. Volgens betrokkene had de minister hem moeten horen over de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat hij niet tijdig de relevante gegevens heeft overgelegd. Betrokkene heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918. 6.1. Zoals de Afdeling hiervoor onder 2.1 heeft overwogen, heeft de minister in het besluit van 11 november 2024 eerst en vooral moeten beoordelen of het niet in behandeling nemen van de aanvraag rechtmatig was. De minister heeft er in dat besluit terecht op gewezen dat betrokkene niet betwist dat hij de relevante medische gegevens niet tijdig heeft overgelegd en dat betrokkene geen goede redenen heeft aangevoerd voor het ontbreken van die gegevens. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel over bestaat dat het bezwaar van betrokkene niet zou leiden tot een andersluidend besluit. De minister hoefde betrokkene daarom niet te horen in bezwaar. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie beroep
7. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van betrokkene ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 16 mei 2025 in zaak nr. NL24.45487;
IV. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, mr. J.Th. Drop en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026
1028