ECLI:NL:RBDHA:2026:9426
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen verlenging van de duur van de WW-uitkering ondanks werkperiode
Eiser ontving een WW-uitkering van 1 november 2023 tot 30 september 2024. Hij begon op 4 maart 2024 met werken, maar stuurde geen inkomstenopgave aan verweerder. Verweerder beëindigde daarom de uitkering per 1 maart 2024. Toen eiser op 1 juli 2024 opnieuw werkloos werd, herleefde de WW-uitkering per 1 juli 2024.
Eiser verzocht om verlenging van de uitkeringsduur met de periode maart tot en met juni 2024, omdat hij toen werkte en geen WW ontving. De rechtbank oordeelde dat het WW-recht nooit was beëindigd en dat de uitkering daarom niet verlengd kon worden. De jurisprudentie waarop eiser zich baseerde was niet van toepassing.
Verder stelde eiser dat sprake was van schending van rechtszekerheid en dat het niet indienen van de inkomstenopgave niet aan hem te verwijten viel. De rechtbank verwierp deze argumenten omdat eiser op de hoogte was van het voortbestaan van het WW-recht en geen bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 16 mei 2024.
De rechtbank concludeerde dat het niet verlengen van de uitkeringsduur geen disproportionele sanctie is en wees het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de WW-uitkering niet te verlengen is ongegrond verklaard.