ECLI:NL:RBDHA:2026:9427
Rechtbank Den Haag
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over intrekking verblijfsvergunning en wijziging verblijfsdoel met terugwerkende kracht
Eiser betwist het intrekken van zijn verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid met terugwerkende kracht per 5 juli 2022 en de afwijzing van zijn aanvraag tot wijziging van verblijfsdoel naar arbeid in loondienst. Verweerder had de vergunning ingetrokken omdat de relatie met de referent was verbroken en stelde dat eiser geen rechten kon ontlenen aan besluit 1/80.
De rechtbank oordeelde eerder dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser niet onder artikel 7 en Pro 13 van besluit 1/80 viel. Verweerder nam nieuwe besluiten waarin hij stelde dat de ex-echtgenote van eiser volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, waardoor eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 7. Ook zou eiser niet hebben aangetoond dat hij voornemens was arbeid in loondienst te verrichten, waardoor artikel 13 niet Pro van toepassing is.
De rechtbank vindt dat verweerder niet ambtshalve heeft getoetst aan voortgezet verblijf en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is afgeweken van het beleid ondanks bijzondere omstandigheden, zoals het bijna drie jaar rechtmatig verblijf en het ontstaan van een verblijfsgat. Daarom bevat het besluit zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken.
De rechtbank geeft verweerder vier weken de tijd om deze gebreken te herstellen met een aanvullende motivering of nieuwe beslissing op bezwaar, waarbij ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel moet worden betrokken. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden.
Uitkomst: De rechtbank stelt het bestuursorgaan in de gelegenheid om binnen vier weken de gebreken in het besluit te herstellen en houdt verdere beslissingen aan.