Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9629

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
NL26.12043 en NL26.12044
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 16 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

Eiser, met de Sierra Leoonse nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. Eiser stelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is vanwege risico's bij terugkeer naar Frankrijk, waaronder schendingen van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest, en beroept zich op het arrest Jawo.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Frankrijk systeemfouten vertoont die leiden tot onmenselijke of vernederende behandeling. Ook zijn beweringen over materiële deprivatie en het ontbreken van gezinsbanden zijn onvoldoende onderbouwd. De rechtbank stelt dat verweerder terecht heeft besloten dat Frankrijk verantwoordelijk is en dat het bestreden besluit zorgvuldig en gemotiveerd is genomen.

Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter D. Biever.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.12043 en NL26.12044
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser en verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. F. Arslan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1998 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser verzoekt hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Volgens eiser kan ten aanzien van Frankrijk niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser stelt dat hij een reëel risico loopt bij terugkeer naar Frankrijk en terechtkomt in een situatie die in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest [2] en artikel 3 van Pro het EVRM. [3] Eiser stelt dat het voornemen een standaardvoornemen betreft, waarbij onvoldoende is ingegaan op de aanwezigheid van zijn vrouw en kind in Nederland en daarmee geen belangenafweging is gemaakt. Daarnaast stelt eiser terecht te komen in een toestand van zeer vergaande materiële deprivatie, als bedoeld in het arrest Jawo van 19 maart 2019. [4] Daarnaast stelt eiser niet te zijn gehoord door verweerder over het voornemen van de overdracht naar Frankrijk. Tot slot stelt eiser dat er sprake is van de bijzondere omstandigheid dat hij bij terugkeer naar Frankrijk geen invulling kan geven aan zijn gezinsleven en dat hij vreest voor zijn leven in Frankrijk. Eiser beroept zich daarbij op artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. De rechtbank oordeelt dat de Franse autoriteiten met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit is alleen anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. In de uitspraken van 4 september 2024 [5] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken. Volgens Afdelingsrechtspraak kan ten aanzien van Frankrijk nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [6] De stelling van eiser dat Frankrijk structurele gebreken kent in de opvangsituatie voor asielzoekers, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd waaruit dit blijkt. Daarnaast heeft de Afdeling geoordeeld dat alhoewel er kan worden aangenomen dat sprake was van problemen met de opvang in Frankijk, niet is gebleken dat die problemen zodanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. [7]
6.2.
De stelling van eiser dat hij bij terugkeer zal worden geconfronteerd met zeer vergaande materiële deprivatie en gebreken in de opvangsituatie, in het bijzonder op het gebied van informatievoorziening, hygiëne en privacy zijn onvoldoende geconcretiseerd en niet met stukken onderbouwd. Indien eiser zich na overdracht aan Frankrijk geconfronteerd ziet met problemen, dient hij daarover te klagen bij de Franse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is of dat de Franse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen. Wat betreft de stelling van eiser dat hij voor zijn leven vreest in Frankrijk, geldt dat eiser deze niet aannemelijk heeft gemaakt en deze onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd met stukken.
7. In de stelling van eiser dat hij gescheiden zal worden van zijn gestelde echtgenote en kind, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien artikel 16 dan Pro wel artikel 17 van Pro de Dublinverordening toe te passen. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om dit met stukken te onderbouwen. Verweerder heeft mogen vinden dat eiser dit onvoldoende heeft gedaan. Daarbij is verweerder ook ingegaan op de overgelegde foto van de huwelijksakte en heeft verweerder voldoende gemotiveerd toegelicht waarom dat onvoldoende is. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat tussen hem en zijn gestelde echtgenote een relatie bestaat en dat om die reden geen sprake is van een gezinsband. Dit geldt eveneens ten aanzien van eisers gesteld relatie met het kind, nu niet is onderbouwd dat eiser de biologische ouder is.
8. Naar oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft – mede gelet op het voorgaande – in dit geval in redelijkheid mogen beslissen dat er geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Frankrijk. Er zijn geen aanwijzingen dat deze overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
9. Naar oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd, zorgvuldig tot stand gekomen en zijn de belangen op navolgbare wijze afgewogen. De stelling van eiser dat hij niet is gehoord door verweerder over het voornemen van de overdracht naar Frankrijk en dat verweerder slechts gebruik heeft gemaakt van het standaardvoornemen, volgt de rechtbank niet. Uit het aanmeldgehoor blijkt dat verweerder wel degelijk kenbaar heeft gemaakt dat eiser overgedragen zal worden aan Frankrijk. In het voornemen is ook voldoende duidelijk uiteengezet op welke gronden Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag van eiser. Daarnaast is eiser in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het voornemen in te dienen. Eisers stelling dat hij zijn zienswijze niet kenbaar kon maken aan verweerder, volgt de rechtbank niet aangezien eiser een zienswijze en een aanvullende zienswijze heeft ingediend. Eiser is hierdoor in staat gesteld om alle relevante informatie naar voren te brengen.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
11. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [8] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU).
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218.
5.Zie de uitspraken van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455 en ECLI:NL:RVS:2024:3456.
6.Zie de uitspraken van de Afdeling van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623, 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724 en 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5715.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1318.
8.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.