Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9703

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
NL25.23657
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMParagraaf B7/3.8.1 Vreemdelingencirculaire 2000Werkinstructie 2020/16 Richtlijnen artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken beschermenswaardig familieleven

Eisers, allen Jemenitische familieleden, verzochten om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) bij hun jongvolwassen familielid met een verblijfsvergunning in Nederland. De minister wees de aanvraag af omdat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing was en er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen de jongvolwassene en zijn ouders waren. De rechtbank behandelde het beroep op 18 maart 2026.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht aannam dat de jongvolwassene niet langer feitelijk tot het gezin behoort, gezien zijn zelfstandige leven in Jemen voorafgaand aan zijn vertrek. De door eisers overgelegde Whatsapp-berichten werden niet vertaald, waardoor emotionele afhankelijkheid onvoldoende was onderbouwd. Financiële afhankelijkheid werd niet aannemelijk gemaakt als zodanig dat het gezinsleven beschermenswaardig is.

De belangenafweging ten aanzien van de broers van de jongvolwassene viel eveneens in het nadeel van eisers, mede vanwege het restrictieve toelatingsbeleid en het feit dat het gezinsleven ook op afstand kan worden onderhouden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23657

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres

[eiser 1] ,V-nummer: [V-nummer 2] , eiser 1
[eiser 2] ,V-nummer: [V-nummer 3] , eiser 2
[eiser 3] ,V-nummer: [V-nummer 4] , eiser 3
[eiser 4] ,V-nummer: [V-nummer 5] , eiser 4
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. F.S.M. Oudijk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 mei 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 4] (eiser en referent, hierna referent), de gemachtigde van eisers, T. Ayash als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1979, eiser 1 is geboren op [geboortedatum 2] 1971, eiser 2 is geboren op [geboortedatum 3] 2006, eiser 3 is geboren op [geboortedatum 3] 2006, en referent is geboren op [geboortedatum 4] 1998. Zij hebben allemaal de Jemenitische nationaliteit. Referent is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Eiseres en eiser 1 zijn de ouders van referent. Eiser 2 en eiser 3 zijn de broers van referent. Referent heeft namens zijn ouders en broers een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf bij referent [1] .
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven tussen referent en zijn ouders. Referent valt namelijk niet onder het jongvolwassenenbeleid en er zijn geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hem en zijn ouders. Daarom heeft verweerder ten aanzien van hen geen belangenafweging gemaakt. Tussen referent en zijn broers is er volgens verweerder sprake van beschermenswaardig familieleven, maar valt de belangenafweging uit in hun nadeel.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Eisers verzoeken hetgeen eerder bij de aanvraag en in bezwaar naar voren is gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat referent niet is aan te merken als jongvolwassene en daarom niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Verder heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijk tussen referent en zijn ouders. Gelet op het bestaande familieleven [2] tussen referent en zijn ouders, had verweerder een belangenafweging moeten maken. Daarnaast moet de belangenafweging in het kader van het familieleven [3] tussen referent en zijn broers uitvallen in hun voordeel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Herhaald en ingelast
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eisers eerder bij de aanvraag en in bezwaar naar voren hebben gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eisers van mening zijn dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Jongvolwassenenbeleid
6. Volgens het jongvolwassenenbeleid [4] neemt verweerder familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen ouder(s) en het meerderjarig kind aan als het meerderjarig kind jongvolwassen is, met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft, niet in zijn eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd door het aangaan van een huwelijk of relatie. Er hoeft dan geen sprake te zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. [5] Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 29 mei 2024 [6] volgt verder dat als het meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig is geworden, verweerder dit niet zomaar mag tegenwerpen bij de beoordeling of het meerderjarig kind feitelijk tot het gezin is blijven behoren. Verweerder mag dit enkel tegenwerpen als dat kind zich zelfstandig en moeiteloos handhaaft. Hieraan is voldaan wanneer het meerderjarig kind zelfstandig is gaan wonen en er ten tijde van de mvv-aanvraag in is geslaagd zijn of haar leven zelfstandig vorm te geven. Hieraan is niet voldaan als een meerderjarig kind slechts noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te kunnen houden.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is op referent. Verweerder heeft mogen aannemen dat referent niet langer feitelijk tot het gezin van zijn ouders behoort, omdat hij stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. Verweerder heeft er in dit kader op kunnen wijzen dat referent gedurende een aantal jaren voor zijn vertrek naar Nederland niet meer met zijn ouders in gezinsband leefde. De rechtbank volgt eisers niet hun stelling dat verweerder niet mocht tegenwerpen dat eiser in Jemen niet meer samenwoonde met zijn ouders, omdat eiser noodgedwongen moest vluchten naar Mareb. In dit geval zijn er namelijk geen aanwijzingen dat referent moeite heeft gehad om zich zelfstandig te handhaven. Hierbij is van belang dat referent gedurende drie jaar zelfstandig heeft gestudeerd, gewoond en gewerkt in Mareb. Verder heeft verweerder mogen tegenwerpen dat referent voor zijn vertrek uit Jemen als taxichauffeur heeft gewerkt en in Mareb een eigen zelfstandig inkomen verdiende. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat de omstandigheid dat referent een deel van zijn inkomen overmaakte naar zijn ouders, juist wijst op dat zijn ouders (financieel) afhankelijk zijn van hem. Voor zover uit de door eisers overgelegde Whatsapp gesprekken zou volgen dat er een emotionele afhankelijkheid bestaat tussen eisers en referent, overweegt de rechtbank dat het op de weg ligt van eiser om de Whatsapp gesprekken, of een selectie hiervan, te vertalen. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat verweerder ten onrechte tegenwerpt dat geen vertalingen van de Whatsapp gesprekken zijn overgelegd, omdat referent op 17 april 2025 aan verweerder heeft laten weten dat hij graag verneemt als verweerder een vertaling wenst, omdat vertalen kostbaar is. Verweerder heeft tijdens de zitting mogen wijzen op dat het voor verweerder niet duidelijk is wat er in de gesprekken staat. Hierbij is van belang dat eisers niet hebben aangegeven wat er in de Whatsapp gesprekken staat en ook niet enkele pagina’s hebben vertaald. Hoewel het gepast zou zijn geweest als verweerder in een reactie op de brief van 17 april 2025 aan eisers had laten weten dat het aan eisers is om de berichten te vertalen, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld en niet aan zijn samenwerkingsverplichting heeft voldaan. Bovendien heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat als uit de overgelegde Whatsapp gesprekken zou blijken dat referent dagelijks contact heeft met zijn ouders, hij dit ook op afstand kan onderhouden.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
7. Nu de referent niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet, kan alleen familie- of gezinsleven worden aangenomen tussen hem en zijn ouders als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
7.1.
Uit vaste rechtspraak van het EHRM [7] volgt dat de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van de vraag of er sprake is van een afhankelijkheid tussen volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. [8] Bij de beoordeling van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, dient verweerder alle individuele omstandigheden van het geval te betrekken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin en hebben samengewoond. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend. [9]
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en zijn ouders. Wat betreft de financiële afhankelijkheid, heeft verweerder mogen betrekken dat referent niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn ouders volledig financieel afhankelijk zijn van referent om in het volledige levensonderhoud te voorzien en dat niet is gebleken dat zijn ouders zich niet staande kunnen houden zonder de directe aanwezigheid van referent. Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat de financiële ondersteuning op afstand kan worden voortgezet. Daarnaast heeft verweerder zich tijdens de zitting op het standpunt kunnen stellen dat alleen financiële steun onvoldoende is om te spreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verder heeft verweerder mogen tegenwerpen dat naast de financiële ondersteuning die eiser biedt aan zijn ouders, niet is gebleken dat zij op een andere manier afhankelijk zijn van elkaar. Voor zover eisers met de overgelegde Whatsapp gesprekken betogen dat er sprake is van emotionele afhankelijkheid tussen hen, overweegt de rechtbank zoals eerder overwogen dat het aan eisers is om een vertaling van de gesprekken te overleggen.
Belangenafweging in het kader van het familieleven tussen referent en zijn ouders
8. Uit recente uitspraken van de hoogste bestuursrechter [10] volgt dat als verweerder zich op het standpunt stelt dat tussen betrokkenen geen familie- of gezinsleven bestaat op grond van het jongvolwassenenbeleid én ook niet op grond van bijkomende elementen van afhankelijkheid, hij geen belangenafweging hoeft te maken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder heeft mogen volstaan met de conclusie dat geen sprake is van familieleven [11] tussen referent en zijn ouders.
Belangenafweging in het kader van het familieleven tussen referent en zijn broers
9. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en van de hoogste bestuursrechter volgt dat bij aanvragen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, waarbij familie- of gezinsleven wordt aangenomen, bij de belangenafweging een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. [12] De rechtbank moet vol toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en moet de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend toetsen. [13]
9.1.
Tijdens de zitting is bevestigd dat niet in geschil is dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in het bestreden besluit heeft betrokken, maar dat alleen in geschil is welk gewicht wat hieraan is toegekend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van eisers heeft laten uitvallen. Verweerder heeft in het voordeel van referent en zijn broers mogen wegen dat tussen hen sprake is van familie- en gezinsleven. Verweerder heeft in het nadeel kunnen betrekken dat het gezinsleven niet in Nederland hoeft te worden uitgevoerd, maar dat dit ook op afstand kan. Hierbij is van belang dat referent al meerdere jaren niet meer met hen in gezinsverband samenwoont en dat de ouders altijd voor de broers hebben gezorgd en nog steeds in beeld zijn. Verweerder heeft licht in het voordeel mogen wegen dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Jemen uit te oefenen. Verder heeft verweerder mogen tegenwerpen dat de broers sterke banden hebben met Jemen en geen sterke banden met Nederland. Omdat verweerder mocht concluderen dat er geen sprake is van familieleven tussen referent en zijn ouders, heeft verweerder zich ook op het standpunt kunnen stellen dat het in het belang van de broers is om bij hun ouders te zijn. Het is niet gebleken dat het in hun belang is om bij referent te komen wonen en van hun ouders te worden gescheiden. Daarnaast heeft verweerder in het nadeel van referent en zijn broers mogen meewegen dat Nederland een restrictief toelatingsbeleid heeft. Verweerder heeft de economische belangen van Nederland ook zwaar in het nadeel mogen betrekken, omdat referent onvoldoende middelen van bestaan heeft en niet gebleken is dat hij over voldoende woonruimte beschikt.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11. Eisers krijgen het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM).
2.In de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
3.In de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
4.Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
5.Werkinstructie 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
7.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
8.Zie onder meer uitspraak van het EHRM van 2 september 2022 (
9.Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
10.Uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1187.
11.In de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
12.Zie onder meer uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
13.Zie onder meer uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.