Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9728

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL26.15257
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P. Bruins
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 15 Richtlijn 2008/115/EGArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring en verzoek om schadevergoeding afgewezen

Eiser, van Poolse nationaliteit, werd op 12 maart 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister heeft de bewaring op 25 maart 2026 opgeheven en eiser uitgezet naar Polen.

De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest. Eiser voerde aan dat de maatregel niet op een rechtsgeldige juridische grond berustte en dat het verblijfsrecht van een Unieburger niet automatisch beëindigd mag worden. De rechtbank oordeelde dat de maatregel voldoende gemotiveerd was en dat de wettelijke criteria, zoals opgenomen in het Vreemdelingenbesluit 2000, voldeden aan de vereisten van het Unierecht en jurisprudentie van het HvJEU.

Verder stelde de rechtbank vast dat het verblijfsrecht van eiser op 26 oktober 2021 rechtsgeldig was beëindigd en dat dit besluit formele rechtskracht heeft. Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat hij in Polen een duurzaam verblijf had opgebouwd of dat er materiële wijzigingen waren die het verblijf in Nederland rechtvaardigden. De rechtbank concludeerde dat de bewaring rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15257

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft de maatregel van bewaring op 25 maart 2026 opgeheven en eiser uitgezet naar Polen.
De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de maatregel niet op een rechtsgeldige juridische grond berust. Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw bevat geen criteria aan de hand waarvan de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming beoordeeld kan worden, en dan is volgens eiser Unierechtelijk geen sprake van een rechtsgeldige juridische grond. De in artikel 15 van Pro Richtlijn 2008/115/EG genoemde criteria staan immers niet in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser verwijst hierbij onder meer naar het arrest Mahdi van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) [1] , waarin is overwogen dat een inbewaringstelling schriftelijk wordt gelast met opgave van de feitelijke en juridische gronden.
4. De rechtbank stelt vast dat in artikel 59 van Pro de Vw de algemene criteria staan vermeld voor inbewaringstelling. De specifieke gronden op grond waarvan een onttrekking aan het toezicht kan worden aangenomen, staan in hoofdstuk 5 van het Vb genoemd. In de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 mei 2019 en 25 maart 2020 [2] is al geoordeeld dat het Model M109, de maatregel van bewaring, de juridische en de feitelijke grondslag van de maatregel bevat, door vermelding in die maatregel van de van toepassing zijnde zware en lichte gronden. Verder heeft de Afdeling in deze uitspraken geoordeeld dat het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), waarin de objectieve criteria voor inbewaringstelling zijn vastgelegd, een algemeen verbindend voorschrift is en dat daarmee wordt voldaan aan het vereiste van opname in een dwingende bepaling van algemene strekking van criteria aan de hand waarvan de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming beoordeeld kan worden. Deze in dit geval van toepassing zijnde zware en lichte gronden zijn ook in de maatregel van bewaring van eiser opgenomen en de minister heeft in de maatregel gemotiveerd waarom er van deze gronden in het specifieke geval van eiser sprake is. Het is daarom voor eiser voldoende duidelijk geweest op grond waarvan hij in bewaring werd gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel in strijd is met artikel 15 van Pro Richtlijn 2008/115 en de door eiser genoemde arresten van het HvJEU, en dat is voldaan aan het vereiste van het bestaan van wettelijk vastgelegde criteria aan de hand waarvan de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming kan worden beoordeeld. Gelet hierop is daarom evenmin sprake van het ontbreken van een doeltreffende voorziening in rechte om tegen oplegging van deze maatregel op te komen. Ook in hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling in de genoemde uitspraken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser heeft voorts aangevoerd dat het niet is toegestaan om het verblijfsrecht van een Unieburger zoals eiser, automatisch te beëindigen. Volgens eiser houdt dit in dat verwijdering niet kan stoelen op het belang van de openbare orde, en in de maatregel staat dat het belang van de openbare orde de bewaring vordert.
6. De rechtbank stelt vast dat het rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van het Unierecht bij besluit van 26 oktober 2021 is beëindigd en dat dit besluit op 28 oktober 2024 aan eiser in persoon is uitgereikt. Niet is gesteld of gebleken dat tegen dit besluit rechtsmiddelen zijn aangewend, zodat dit besluit formele rechtskracht heeft. De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak van de Afdeling [3] en is van oordeel dat de rechtmatigheid van het besluit van 26 oktober 2021 in deze procedure niet aan de orde worden gesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser heeft nog aangevoerd dat hij eerder is uitgezet en dat hierdoor ook zijn verblijf op het Nederlandse grondgebied daadwerkelijk en effectief is beëindigd, zodat bij zijn terugkeer naar het grondgebied van het gastland zijn verblijf niet kan worden geacht in werkelijkheid een voortzetting te zijn van zijn eerdere verblijf in Nederland.
8. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat eiser eerder op 6 maart 2025 is uitgezet en dat hij op 12 maart 2026 te [plaats] is aangehouden. Tijdens het gehoor, voorafgaande aan de inbewaringstelling van 12 maart 2026 heeft eiser verklaard vanaf maart 2025 in Polen elf maanden in de gevangenis te hebben gezeten, één maand geleden de gevangenis te hebben verlaten en daarna te zijn teruggekeerd naar Nederland. Op de vraag waarom hij nu weer terug is in Nederland, heeft eiser geantwoord: “
Ik leef hier voor altijd. Ik heb voor Nederland gekozen”.
9. Op grond van het arrest F.S [4] . dient in een situatie, waarin het verblijf van een Unieburger in een lidstaat is beëindigd en betrokkene het grondgebied van die lidstaat heeft verlaten, te worden nagegaan of het verblijf in die lidstaat daadwerkelijk en effectief is beëindigd. In dat geval kan bij een terugkeer naar die lidstaat weer sprake zijn van rechtmatig verblijf en dient een nieuw beëindigingsbesluit te worden genomen om dit rechtmatig verblijf te beëindigen. Naar het oordeel van de rechtbank is van zo’n situatie geen sprake. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Polen inspanningen heeft verricht om aldaar een duurzaam verblijf op te bouwen. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat sprake is van een materiele wijziging van omstandigheden van zijn verblijf in Nederland ten opzichte van de periode tot maart 2025. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat het beëindigingsbesluit van 26 oktober 2021 nog steeds van kracht is en eiser op basis daarvan op grond van het bepaalde in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, in bewaring mocht worden gesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
10. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
11. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet bestreden. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden de maatregel niet kunnen dragen.
Ambtshalve toets
12. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing de rechtbank tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek evenmin op andere gronden onrechtmatig is.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 april 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Arrest van 5 juni 2014, C-146/14, ECLI:EU:C:2014:1320.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT7117 en van 24 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3885.
4.HvJEU, 22 juni 2021, C-719/19.