Eiser, van Poolse nationaliteit, werd op 12 maart 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister heeft de bewaring op 25 maart 2026 opgeheven en eiser uitgezet naar Polen.
De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest. Eiser voerde aan dat de maatregel niet op een rechtsgeldige juridische grond berustte en dat het verblijfsrecht van een Unieburger niet automatisch beëindigd mag worden. De rechtbank oordeelde dat de maatregel voldoende gemotiveerd was en dat de wettelijke criteria, zoals opgenomen in het Vreemdelingenbesluit 2000, voldeden aan de vereisten van het Unierecht en jurisprudentie van het HvJEU.
Verder stelde de rechtbank vast dat het verblijfsrecht van eiser op 26 oktober 2021 rechtsgeldig was beëindigd en dat dit besluit formele rechtskracht heeft. Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat hij in Polen een duurzaam verblijf had opgebouwd of dat er materiële wijzigingen waren die het verblijf in Nederland rechtvaardigden. De rechtbank concludeerde dat de bewaring rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.