ECLI:NL:RVS:2023:3885
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over rechtmatigheid maatregel bewaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde een vreemdeling, een burger van de Unie zonder rechtmatig verblijf, in bewaring op grond van een verwijderingsbesluit. De rechtbank oordeelde dat het verwijderingsbesluit niet rechtsgeldig was uitgereikt en verklaarde de bewaring onrechtmatig, met toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank wel mocht toetsen of het verwijderingsbesluit aan de vreemdeling was uitgereikt, maar dat de rechtbank ten onrechte vond dat de staatssecretaris dit niet aannemelijk had gemaakt. Het uitreikingsblad bij het verwijderingsbesluit, met handtekeningen en stempel van de penitentiaire inrichting, vormde voldoende bewijs. De vreemdeling had dit niet met concreet tegenbewijs weerlegd.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep gegrond. De Afdeling oordeelde tevens dat de staatssecretaris de maatregel van bewaring terecht op grond 3c en 4c had gebaseerd en dat de motivering omtrent het niet toepassen van een lichter middel voldoende was. Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.