ECLI:NL:RBDHA:2026:991

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL25.12803
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 30c Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buiten behandeling stellen asielaanvraag wegens onvolledige informatie afgewezen

Eiser, een Chinese staatsburger, diende een tweede asielaanvraag in nadat zijn eerste aanvraag en terugkeerbesluit waren afgewezen. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser niet voldeed aan verzoeken om essentiële informatie te verstrekken.

Eiser voerde aan dat verweerder zijn zienswijze niet had betrokken bij de besluitvorming en dat het besluit niet was ondertekend, wat volgens hem tot vernietiging moest leiden. De rechtbank erkende het gebrek dat de zienswijze niet was betrokken, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe en passeerde dit gebrek omdat eiser hierdoor niet benadeeld was. Het ontbreken van de ondertekening werd niet als een vernietigingsgrond gezien.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag buiten behandeling stelde, omdat eiser herhaaldelijk naliet de aanvraag compleet te maken. De enkele beoordeling van enkele documenten zonder volledige aanvraag was niet verplicht. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser vanwege het procedurele gebrek.

Uitkomst: Het beroep tegen het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard, met veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12803

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. de Graaf).

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft op 20 augustus 2025 een verweerschrift ingediend. Op diezelfde datum heeft eiser daarop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.12804) op zitting behandeld. Met voorafgaande kennisgeving zijn eiser en zijn gemachtigde niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft naar aanleiding van de schriftelijke reactie van 20 augustus 2025 het onderzoek ter zitting geschorst en eiser in de gelegenheid gesteld om op het verweerschrift te reageren. Op 9 september 2025 heeft eiser inhoudelijk gereageerd op het verweerschrift. Op 23 september 2025 heeft verweerder hierop gereageerd. Nadat beide partijen hebben ingestemd met het achterwege laten van een nadere zitting heeft de rechtbank het onderzoek op 27 oktober 2025 gesloten.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Chinese nationaliteit.
2. Eiser heeft eerder een asielaanvraag ingediend op 27 december 2022.
Bij besluit van 27 december 2023 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eisers beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van 16 februari 2024 (ECLI:NL:RBNHO:2024:4025) door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, ongegrond verklaard. De afwijzing van eisers eerste asielaanvraag en het terugkeerbesluit staan daarmee in rechte vast. Op 12 juni 2024 heeft eiser een tweede asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 21 juni 2024 deze aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Bij uitspraak van 5 augustus 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:5055) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Voor een samenvatting van het asielrelaas, dat eiser bij zijn eerste asielaanvraag naar voren heeft gebracht, wordt verwezen naar rechtsoverweging 4 van de hiervoor genoemde uitspraak van 16 februari 2024. Eiser heeft aan de huidige aanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Nederland heeft deelgenomen aan demonstraties, dat hij bezig is met het oprichten van een Nederlandse tak van de Chinese Democratische Partij (CDP) en dat hij een website ( [naam website] ) heeft opgezet. Eiser stelt hierdoor in de negatieve belangstelling van de Chinese autoriteiten te staan. Ter onderbouwing hiervan heeft hij bij zijn asielaanvraag een groot aantal documenten (in de Engelse en Chinese taal, deels voorzien van een vertaling in het Nederlands) overgelegd.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft de asielaanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Volgens verweerder heeft eiser de M35-O niet volledig en niet duidelijk ingevuld (onder meer door het ontbreken van een vertaling door een beëdigde vertaler, doordat eiser de transcriptie van het gehoor en het telefoongesprek in de originele taal van het gehoor en het telefoongesprek niet heeft overgelegd en doordat het onduidelijk is waar eiser de informatie die in het Engels is overgelegd vandaan komt). Verweerder verwijst ook naar de beschikking van 21 juni 2024, waarbij eisers vorige herhaalde asielaanvraag van 12 juni 2024 buiten behandeling is gesteld vanwege het ontbreken van een vertaling door een beëdigd vertaler.
De beroepsgronden
5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de zienswijze ten onrechte niet bij de besluitvorming heeft betrokken. Hierdoor is het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen. Uit de verklaring die bij de aanvraag is overgelegd (pagina 118) blijkt dat eiser als gevolg van zijn politieke activiteiten gevaar loopt voor vervolging. Deze verklaring is in het Nederlands opgesteld en kan aan de hand van de contactgegevens eenvoudig worden geverifieerd op juistheid. Ook verwijst eiser naar de overgelegde uitnodiging (pagina 112 van de aanvraag). Hieruit blijkt de band van eiser met de CDP. Eiser stelt dat hij door zijn band met deze partij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Hierdoor kan hij niet terugkeren naar China. Verder voert eiser aan dat het bestreden besluit een gebrek vertoont, nu dit besluit niet is ondertekend. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4082).
6. In reactie op het verweerschrift van 20 augustus 2025 heeft eiser aangevoerd dat uit de overgelegde bewijsstukken afdoende blijkt dat hij politieke activiteiten heeft ontplooid in Nederland, dan wel doende is deze te gaan ontplooien. Ook blijkt hieruit dat eiser contact heeft met andere politieke activisten. Verweerder heeft volgens eiser ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat de overgelegde bewijsstukken in het verlengde liggen van wat hij al eerder naar voren heeft gebracht. Dit is logisch, aangezien eiser niet ineens een heel nieuw asielrelaas heeft.
De beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
7. Eiser is met onbekende bestemming uit de opvang vertrokken en het is onduidelijk waar hij op dit moment verblijft. Omdat zijn gemachtigde echter heeft aangegeven dat hij nog contact heeft met eiser en eiser volgens zijn gemachtigde nog in Nederland verblijft, neemt de rechtbank desondanks procesbelang aan. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).
Niet betrekken zienswijze in het bestreden besluit en late indiening verweerschrift
8. Eiser stelt terecht dat verweerder de zienswijze van 14 maart 2025 niet bij het bestreden besluit heeft betrokken. Dit heeft verweerder ook erkend. Dit is een gebrek in de besluitvorming. Deze beroepsgrond slaagt.
9. De rechtbank zal het gebrek passeren op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht omdat aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld. Verweerder is in het verweerschrift alsnog ingegaan op de zienswijze van eiser. Omdat het verweerschrift kort voor de zitting is ingediend, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst om eiser (die niet op de zitting was) in de gelegenheid te stellen om adequaat op het verweerschrift te kunnen reageren. Dit heeft eiser gedaan, en hier heeft verweerder weer op gereageerd. Hiermee heeft eiser voldoende gelegenheid gehad om te reageren op het verweerschrift. Er is dus ook geen strijd met de goede procesorde (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:379). Eiser heeft verder ook niet gesteld dat hij door deze gang van zaken bepaalde standpunten niet (voldoende) in de procedure heeft kunnen brengen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:326).
Had verweerder de asielaanvraag in behandeling moeten nemen?
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag terecht buiten behandeling gesteld. Verweerder kan dit doen als de vreemdeling heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag. Dit staat in artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Verweerder heeft meermaals uiteengezet wat er allemaal nodig is om de aanvraag in behandeling te kunnen nemen. Eiser heeft hier, net als in de vorige procedure, niets mee gedaan. Eisers standpunt dat verweerder twee documenten wél eenvoudig had kunnen en moeten beoordelen (de Nederlandstalige verklaring van [persoon A] en de Engelstalige uitnodiging van de UK Headquarters of CDP), maakt dit niet anders. Eiser heeft niet betwist dat de informatie waarom verweerder heeft verzocht van wezenlijk belang is voor de beoordeling van zijn aanvraag. Bij deze stand van zaken bestond er naar het oordeel van de rechtbank geen verplichting voor verweerder om een inhoudelijke beoordeling te verrichten van de paar documenten waaraan door verweerder geen nadere verzoeken zijn gekoppeld. Verweerder mocht verwachten dat eiser de aanvraag eerst compleet zou maken, om de documenten daarna in samenhang te beoordelen.
Levert het ontbreken van de ondertekening van het besluit een gebrek op?
11. Zoals in de vorige procedure heeft eiser ook hier betoogd dat het feit dat het bestreden besluit niet is ondertekend tot vernietiging ervan zou moeten leiden. De rechtbank neemt het oordeel van de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 5 augustus 2024 (rechtsoverweging 5) over. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond.
13. Vanwege het gebrek in de besluitvorming, dat met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb is gepasseerd, ziet de rechtbank aanleiding verweerder in de proceskosten te veroordelen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 1.401,- (een punt voor het indienen van het beroepschrift en een halve punt voor de nadere reactie met een waarde per punt van € 934,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1). De rechtbank kent eiser in dit geval een halve punt toe voor de nadere reactie, omdat in het verweerschrift voor het eerst op de zienswijze is gereageerd en het verweerschrift zo kort voor de zitting is ingediend dat eiser nog de gelegenheid moest krijgen hierop schriftelijk te reageren.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.401,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.