ECLI:NL:RBDHA:2026:998

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL25.53543
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • O. El Kadi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 4 EU HandvestArt. 12, vierde lid, Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk onder Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening. Eiser stelde dat overdracht aan Frankrijk een reëel en bewezen risico inhoudt op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn medische situatie, waaronder psychische problematiek en suïcidaliteit.

De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 behandeld en beoordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de overdracht niet in strijd is met het arrest C.K. Het BMA-advies stelt dat eiser alleen onder strikte medische voorwaarden kan worden overgedragen, waaronder begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige en directe overdracht aan een psychiater in Frankrijk.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de overdracht, mits naleving van deze voorwaarden, een reëel en bewezen risico op ernstige verslechtering van de gezondheidstoestand oplevert. Ook het AIDA-rapport over Frankrijk leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de minister.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt het besluit van de minister om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk verantwoordelijk is en wijst het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53543

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is. Eiser is het hier niet mee eens en heeft hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de aanvraag af te wijzen in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een situatie zoals bedoeld in het arrest C.K. van het Hof van Justitie [1] en heeft geen toepassing hoeven te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Inleiding

2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 31 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2.1.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en diens gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft de asielaanvraag van eiser van 26 mei 2025 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag. De Franse autoriteiten hebben op 20 augustus 2025 het verzoek van Nederland om eiser over te nemen geaccepteerd. [2] De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Had de minister de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling moeten nemen omdat de overdracht in strijd is met het arrest C.K.?
4. Eiser betoogt dat de overdracht in strijd is met het arrest C.K. omdat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat een overdracht aan Frankrijk een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie oplevert. De minister heeft geen rekening gehouden met de bijzondere individuele medische omstandigheden van eiser. Zo heeft eiser last van psychische problematiek waaronder een paniekstoornis, die is ontstaan nadat hij getuige is geweest van het overlijden van een familielid in 2021, met terugkerende pijn of druk op de borst. Daarnaast kampt eiser met depressieve klachten waaronder suïcidaliteit en heeft hij twee suïcidepogingen ondernomen. Eiser heeft ter onderbouwing een e-mailbericht van LGBT Asylum Support overgelegd, waarin het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) wordt verzocht bijzondere aandacht te hebben voor de zorgelijke situatie van eiser. [3] Uit het advies van Bureau Medische Advisering (BMA) van 23 oktober 2025 blijkt dat eiser uitsluitend kan worden overgedragen onder voorwaarden van een fysieke overdracht waarbij hij direct wordt overgedragen aan een psychiater in een klinische setting. Volgens eiser volgt hieruit dat de overdracht, ook reeds bij aankondiging daarvan, op voorhand, leidt tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, zodat de overdracht in strijd is met het arrest C.K. In dit verband verwijst eiser naar punt 65 en 76 van dit arrest, waaruit volgt dat de minister iedere ernstige twijfel, op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie dient weg te nemen. Eiser stelt dat met het BMA-advies geen sprake is van het wegnemen van iedere ernstige twijfel, ondanks de daarin genoemde maximale reiswaarborgen. Verder voert eiser, onder verwijzing naar het AIDA rapport over Frankrijk van 2024 [4] , aan dat de zorg die hij nodig heeft in Frankrijk niet toereikend is in de zin van het arrest C.K. en dat hij vanwege de taalbarrière geen garantie heeft op medische zorg. De minister had op basis van deze bijzondere individuele (medische) omstandigheden zijn asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening alsnog in behandeling moeten nemen.
4.1.
In het arrest C.K. heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat zelfs als kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, een Dublinclaimant alleen kan worden overgedragen als is uitgesloten dat die overdracht een reëel en bewezen risico inhoudt dat de Dublinclaimant wordt onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest. De overdracht vormt een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van dat artikel, als de overdracht van een Dublinclaimant met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 november 2017 [5] , volgt uit het arrest C.K. dat, wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. [6] In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten, de gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest als gevolg van de overdracht zelf wegnemen. [7] De minister kan er echter ook voor kiezen om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De vreemdeling moet het risico op verslechtering van zijn gezondheidstoestand onderbouwen met objectieve documenten.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de overdracht niet in strijd is met het arrest C.K. Voor zover eiser aanvoert dat
het vooruitzicht op de overdracht op zichzelf al een risico vormt op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn medische situatie, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025. [8] Daarin is geoordeeld dat de minister geen rekening hoeft te houden met de gevolgen die het vooruitzicht van een overdracht kan hebben voor de psychische gesteldheid van een vreemdeling. Het arrest C.K. ziet namelijk niet op de aankondiging van een overdracht op een moment dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft. Ten aanzien van het risico dat de overdracht zelf leidt tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de medische situatie van eiser, overweegt de rechtbank het volgende. Uit het BMA-advies van 23 oktober 2025 blijkt dat eiser medische klachten heeft, waaronder een paniek- en angststoornis en depressieve klachten. Hierdoor bestaat een risico op impulsieve suïcidepogingen. Eiser heeft in het verleden twee suïcidepogingen ondernomen en staat momenteel onder behandeling. [9] Uit hetzelfde BMA-advies blijkt dat eiser, gelet op zijn medische situatie, uitsluitend kan worden overgedragen aan Frankrijk indien wordt voldaan aan bepaalde medische reisvoorwaarden. Deze voorwaarden houden onder meer in dat eiser tijdens de reis wordt begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige, die hem kan ondersteunen en de medicatie kan beheren. Daarnaast wordt geadviseerd om eiser direct na aankomst over te dragen aan een psychiater in een klinische setting, zodat kan worden beoordeeld hoe eiser de reis heeft doorstaan en of verdere behandeling noodzakelijk is. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening waarbij de overdracht, onder de genoemde reisvoorwaarden, een reëel en bewezen risico oplevert op een aanzienlijke onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand in de zin van het arrest C.K. Op basis van de door eiser overgelegde medische stukken kan niet worden geconcludeerd dat het risico op een dergelijke verslechtering of op suïcide hoog is indien eiser met inachtneming van de gestelde reisvoorwaarden wordt overgedragen. Daarmee heeft eiser niet onderbouwd dat een overdracht aan Frankrijk in strijd is met het arrest C.K. Het beroep van eiser op het AIDA-rapport “Country Report: France 2024 Update” leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling dit rapport in de uitspraak van 31 juli 2025 [10] heeft betrokken en heeft geoordeeld dat ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat er geen aanwijzingen zijn dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser te (blijven) behandelen of dat de benodigde zorg in Frankrijk niet toereikend of beschikbaar is. De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een overdracht naar Frankrijk met inachtneming van de door BMA geformuleerde reisvoorwaarden, voor eiser geen reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand oplevert. De minister heeft daarom ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, in de zaak C.K. tegen Slovenië.
2.Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
3.Een e-mailbericht van LGBT Asylum Support aan het COa Arnhem, van 3 juli 2025.
4.AIDA-rapport “Country Report: France 2024 Update” van 11 juni 2025.
5.ABRvS 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7.
6.Zie ABRvS 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4303, onder 4, en ABRvS 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845, onder 2.2.
7.Zie ABRvS 15 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:92, onder 4.3, en ABRvS 24 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:586, onder 10.
8.ABRvS 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3297, punt 3.4.
9.Brief van Kleur GGZ van 12 september 2025.
10.ABRvS 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.