Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9995

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
NL25.39542
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMRichtlijn 2008/115/EGECLI:EU:C:2024:892
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit wegens onvoldoende onderzoek non-refoulementrisico Turkmenistan

Eiser, een Turkmeense nationaliteit dragende derdelander uit Oekraïne, kreeg een terugkeerbesluit opgelegd door de minister van Asiel en Migratie, waarin hij werd verplicht Nederland binnen vier weken te verlaten. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde onder meer aan dat het besluit prematuur was vanwege een lopend verzoek tot voorlopige voorziening en dat het in strijd was met artikel 8 EVRM Pro en het non-refoulementbeginsel.

De rechtbank oordeelde dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagt, omdat geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven was vastgesteld. Wel stelde de rechtbank vast dat het non-refoulementbeginsel onvoldoende was gewaarborgd, aangezien verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar de situatie in Turkmenistan en het risico op schending van het non-refoulementbeginsel bij terugkeer.

De rechtbank verwees naar jurisprudentie waarin werd aangenomen dat terugkeer naar Turkmenistan vermoedelijk leidt tot schending van het non-refoulementbeginsel. Gelet hierop was nader onderzoek door verweerder vereist, wat niet had plaatsgevonden. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het terugkeerbesluit vernietigd en proceskosten toegekend aan eiser.

Daarnaast werd vastgesteld dat de tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne eerder mag eindigen dan die van Oekraïense staatsburgers, en dat de bevriezingsmaatregel van de terugkeerbesluiten geen rechtmatig verblijf oplevert. De asielaanvraag van eiser leidde tot opschorting van de uitvoering van het terugkeerbesluit, maar niet tot rechtmatig verblijf.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar het non-refoulementrisico en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39542

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: H.J. Metselaar).

Procesverloop

Verweerder heeft tegen eiser op 24 juli 2025 een terugkeerbesluit (het bestreden besluit) uitgevaardigd en daarin bepaald dat eiser moet terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft. Eiser moet Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen vier weken verlaten.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser is geboren op [datum] 1995 en heeft de Turkmeense nationaliteit.
Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. Omdat er onduidelijkheid ontstond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt.
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat het nieuwe terugkeerbesluit van 24 juli 2025 prematuur is, omdat de bescherming pas eindigt op of na 4 september 2025, en vanwege het lopende verzoek tot treffen van een voorlopige voorziening. Ook is het terugkeerbesluit volgens eiser in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM en is van een recente (ambtshalve) refoulementbeoordeling niet gebleken. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend, waarop nog niet is beslist. Het is daarom niet mogelijk om uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit..
De rechtbank oordeelt als volgt.
In het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Het bestreden besluit is hiermee in overeenstemming. Uit het bestreden besluit volgt dat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. De omstandigheid dat eiser de uitkomst van zijn verzoek om voorlopige voorziening mocht afwachten is niet van invloed op die vaststelling. Dit geldt ook voor het gegeven dat eiser inmiddels een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend waardoor de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit thans zijn opgeschort. De bevriezingsmaatregel geldt als een feitelijke opschorting van de uitvoering van het terugkeerbesluit en heeft niet tot gevolg dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Nederland.
5. Eisers beroep op artikel 8 van Pro het EVRM slaagt niet. Uit artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn [1] volgt niet dat verweerder bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of eiser op grond van artikel 8 van Pro het EVRM in aanmerking komt voor een verblijfsrecht of rekening moet houden met privéleven. Van beschermenswaardig familie- en gezinsleven is niet gebleken.
6. Uit artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn volgt dat bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit het non-refoulementbeginsel in acht wordt genomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerders conclusie dat geen sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende omstandigheden, zoals bedoeld in het arrest Ararat [2] , om een refoulementrisico aan te nemen in dit geval onvoldoende is gemotiveerd. Uit het dossier blijkt dat eiser de Turkmeense nationaliteit heeft en dat hij lange tijd in het buitenland heeft verbleven. De rechtbank stelt vast dat een ambtsbericht over Turkmenistan ontbreekt. Uit de informatie die ambtshalve bekend is bij de rechtbank, volgt dat in Turkmenistan een gesloten en repressief regime aan de macht is, dat haar onderdanen niet graag naar het buitenland ziet vertrekken. Het is in dat verband onvoldoende duidelijk hoe de Turkmeense autoriteiten reageren op de terugkeer van onderdanen die langere tijd zonder hun toestemming in het buitenland hebben verbleven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:649, en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 12 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21318. Hieruit volgt dat in het geval van eiseres terugkeer naar Turkmenistan doet vermoeden dat afbreuk aan het beginsel van non-refoulement kan worden gedaan. Gelet hierop lag het op de weg van verweerder om nader onderzoek te doen.
7. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van €1868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Richtlijn 2008/115/EG.
2.HvJ EU 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.