Eiser, een Nigeriaanse derdelander die tijdelijke bescherming genoot vanwege de situatie in Oekraïne, stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn tijdelijke bescherming te beëindigen en hem te verplichten terug te keren naar zijn land van herkomst.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het Europese arrest en de nationale jurisprudentie, waarbij de tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne eerder mag worden beëindigd dan die van Oekraïners, mits niet vóór 4 maart 2024. De bevriezing van de rechtsgevolgen tot 4 september 2025 werd als feitelijke opschorting gezien, zonder rechtmatig verblijf te creëren.
Eiser voerde aan dat zijn privéleven in Nederland en zijn werk in aanmerking genomen moesten worden, maar kon dit onvoldoende onderbouwen. Ook was er geen bewijs van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven. De rechtbank nam het verbod van refoulement mee, maar vond geen zwaarwegende feiten die een reëel risico op vervolging of ernstige schade aannemelijk maakten.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het terugkeerbesluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.