Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.Ontstaan en loop van het geding
Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding
Rechtbank Gelderland
Verzoeker heeft een procedure gevoerd tegen de Belastingdienst en de Staat der Nederlanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de behandeling van belastingaanslagen en boetes over de jaren 1995 tot en met 2005.
De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn van twee jaar, vermeerderd met verlenging wegens een prejudiciële procedure en een geheimhoudingsverzoek, in totaal 50 maanden bedroeg. De feitelijke duur van de procedure was 53 maanden, waarmee de redelijke termijn werd overschreden.
Op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verzoeker recht op een immateriële schadevergoeding. De rechtbank wees een vergoeding van €500 toe, waarbij zij oordeelde dat de vergoeding niet per aanslag of beschikking wordt toegekend omdat het om één feitencomplex en één uitspraak ging.
De overschrijding wordt volledig toegerekend aan de Belastingdienst, die daarom wordt veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding. Verzoeker is niet verschenen bij de zitting, en de rechtbank zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot betaling van €500 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.