Eiseres ontving sinds 1999 bijstand en werd geconfronteerd met intrekking en terugvordering van deze bijstand omdat zij niet had gemeld dat zij over meerdere onroerende zaken in Turkije beschikte. Verweerder stelde dat hierdoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld en trok de bijstand in vanaf 31 juli 2007, met terugvordering van € 89.807,11.
De rechtbank oordeelt dat eiseres in de periode van 31 juli 2007 tot 7 maart 2013 niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet over het vermogen beschikte, mede omdat zij geen melding maakte van het onroerend goed. Vanaf 7 maart 2013 kon het recht op bijstand wel worden vastgesteld op basis van de taxatiewaarde van de kavel, die ruim boven de vermogensgrens lag.
De rechtbank vernietigt het besluit tot intrekking en beëindiging van bijstand voor de periode vanaf 7 maart 2013 tot 5 april 2013, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand omdat eiseres over dat vermogen beschikte. Het beroep tegen de terugvordering wordt ongegrond verklaard. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.