Eiseres, een besloten vennootschap, heeft een stamrechtverplichting opgenomen in haar balans tegen een lagere rekenrente van drie procent dan de door de Belastingdienst voorgeschreven vier procent volgens artikel 3.29 van de Wet IB 2001. De Belastingdienst corrigeerde deze waardering naar een hogere waarde met een rekenrente van vier procent, wat leidde tot een hogere belastbare winst.
De rechtbank oordeelt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een vaste rekenrente van vier procent, ook al leidt dit tot een waardering die afwijkt van het economisch verkeer en het realiteitsbeginsel. De rechter kan de innerlijke juistheid of billijkheid van de wet niet toetsen vanwege het toetsingsverbod in de Grondwet en de Wet algemene bepalingen.
Verder is volgens de rechtbank de wettelijke regeling voldoende duidelijk en voorziet zij in een legitiem algemeen belang, waarbij de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft. De claim dat de heffing een individuele en buitensporige last vormt, wordt verworpen omdat eiseres geen bewijs daarvoor heeft geleverd.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en ook het beroep tegen de heffingsrente wordt afgewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.