Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 27 februari 2019
[X] , h.o.d.n. [Y] , te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Procesverloop
- voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 114.241, alsmede een boete van € 24.459. Tevens is bij beschikking € 9.038 aan heffingsrente in rekening gebracht;
- voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.430, alsmede een boete van € 13.360. Tevens is bij beschikking € 3.971 aan heffingsrente in rekening gebracht;
- voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 115.850, alsmede een boete van € 22.472. Tevens is bij beschikking € 5.269 aan heffingsrente in rekening gebracht.
Overwegingen
- “Er zijn geen agenda’s, er was een kladagenda maar deze is niet bewaard gebleven. Ook vastleggingen in het intern-geheugen van de telefoon zijn overschreven. Deze informatie is essentieel voor de bedrijfsvoering en dient te worden bewaard.
- Er zijn geen leskaarten raadpleegbaar, deze blijven bij de leerling. Ook is er geen overzicht waaruit blijkt hoeveel lessen een bepaalde leerling heeft gevolgd, hoeveel er voor de lessen is betaald, wanneer en op welke wijze (contant of bank). Later in het onderzoek heeft u alsnog jaarlijkse overzichten vervaardigd van leerlingen die contant zouden hebben betaald. De overzichten van de jaren 2010 en 2011 sluiten echter niet aan met de contante ontvangsten zoals vermeldt in de auditfile. Vanuit een geobjectiveerde benadering houdt een ondernemer dergelijke zaken bij zodat bepaald kan worden in hoeverre de opbrengstenverantwoording juist en volledig is;
- Er zijn factuurnummers gebruikt die niet doorlopend genummerd zijn, en regelmatig dubbel zijn gebruikt, hierover is in het inleidende gesprek geen melding gemaakt.
- Het genoemde uurtarief in het inleidende gesprek wijkt sterk af van het uurtarief dat staat vermeld op de vervaardigde overzichten van leerlingen die contant hebben betaald. Inleidende gesprek: 2009 (€ 40,-) in 2010 (€ 41,-) in 2011 (€ 42,-) en later in het contante overzicht: 2009 (€ 30,-) in 2010 (€ 35,-) in 2011 (€ 35,-). Ook de bedragen m.b.t. examenkosten die zijn genoemd in het inleidende gesprek en die in de contante overzicht wijken van elkaar af;
- Ik constateer verschillen in het aantal leerlingen in de administratie in vergelijking met de gegevens die bekend zijn bij CBR. Als ik de examenomzet bereken aan de hand van de bij het CBR afgenomen examens en ik elimineer dit uit de door u aangegeven omzet dan weet ik hoeveel lesgeld er door u zou zijn ontvangen. Ik weet het aantal leerlingen volgens het CBR en kan dan berekenen hoeveel lessen per leerling gemiddeld is gelest. Deze berekeningen heb ik aan u overgelegd, er blijkt dat dit dan gemiddeld 5 à 6 lessen per leerling is. Dit is niet aannemelijk en wijkt sterk af van het gemiddelde aantal (30) dat in het inleidende gesprek door u is genoemd.”
- een prijs per les per uur (inclusief omzetbelasting) in 2009 van € 30 en in 2010 en 2011 van € 35;
- gemiddeld 25 lessen per leerling en 6 lessen voor een herexamen;
- het aantal examens en herexamens conform de opgaven van het CBR.
- of verweerder terecht omkering en verzwaring van de bewijslast heeft toegepast;
- of de navorderings- en naheffingsaanslagen berusten op een redelijke schatting;
- of de boetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd;
- of en in hoeverre eiser recht heeft op vergoeding van proceskosten.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond voor zover het de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase betreft;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar in zoverre;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 2.298;
- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 168 vergoedt.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;