Belanghebbende, met aandelen in twee vennootschappen, werd geconfronteerd met een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2007. De Inspecteur legde een aanslag op na het niet verstrekken van gevraagde informatie en wees op omkering van de bewijslast. Het Hof Den Haag oordeelde dat belanghebbende niet had voldaan aan zijn informatieplicht en dat de omkering van de bewijslast van toepassing was.
De Hoge Raad stelde vast dat de wetswijziging per 1 juli 2011 inzake de omkering van de bewijslast onmiddellijke werking heeft, maar dat deze niet van toepassing is op bezwaarschriften die vóór die datum zijn ingediend. Omdat de uitspraak op bezwaar in deze zaak na 1 juli 2011 was gedaan, was de omkering van de bewijslast volgens het Hof terecht toegepast. De Hoge Raad oordeelde echter dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd en dat de omkering van de bewijslast niet zonder een onherroepelijke informatiebeschikking kan worden toegepast.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor een volledige herbeoordeling, waarbij rekening moet worden gehouden met de juiste toepassing van de wet. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.