ECLI:NL:RBGEL:2021:3850
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over niet opleggen loonsanctie en toekenning schadevergoeding
Verzoeker was werkzaam als medewerker specialistisch onderhoud en viel op 16 februari 2018 uit wegens ziekte. Na een aanvraag WIA-uitkering stelde het UWV vast dat verzoeker niet in aanmerking kwam voor een WIA-uitkering en dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende waren. Verzoeker stelde dat het UWV ten onrechte geen loonsanctie aan zijn werkgever had opgelegd, waardoor hij schade had geleden. Hij vorderde een schadevergoeding gebaseerd op het loon dat hij in het derde ziektejaar zou hebben ontvangen.
Het UWV wees dit verzoek af met het argument dat verzoeker geen schade had geleden omdat hij een WW-uitkering ontving en inkomsten uit werkzaamheden, waardoor hij netto meer ontving dan bij loonsanctie. De rechtbank oordeelde dat het UWV ten onrechte geen loonsanctie had opgelegd en dat de schadevergoeding berekend moet worden op basis van 100% van het loon in het derde ziektejaar, conform de toepasselijke cao in de schoonmaak- en glazenwassersbranche.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV wegens onvoldoende motivering en droeg op tot een nieuw besluit waarin ook de pensioenpremies en wettelijke rente worden betrokken. Verzoeker werd tevens in het gelijk gesteld wat betreft proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met vergoeding van schade en proceskosten aan verzoeker.