Appellant diende op 19 september 2008 een aanvraag in voor een WIA-uitkering. Het UWV legde een loonsanctie op omdat de werkgever niet aan re-integratieverplichtingen had voldaan, maar kortte deze periode later onterecht in. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het UWV aansprakelijk is voor de schade die appellant heeft geleden door het onrechtmatig bekorten van de loonsanctie. De schadevergoeding moet aansluiten bij het burgerlijk recht en de omvang van de schade wordt bepaald door het verschil tussen het loon dat appellant had moeten ontvangen en de WW-uitkering die hij daadwerkelijk kreeg.
De arbeidsovereenkomst bepaalde dat bij ziekte het volledige loon doorbetaald moest worden, ook in het derde ziektejaar. Appellant ontving echter slechts 70-75% via de WW-uitkering. De Raad stelde vast dat de schade 25-30% van het volledige loon bedraagt en dat het UWV reeds een deel had toegekend. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en sprak een aanvullende schadevergoeding toe. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.