De rechtbank Gelderland behandelde beroepen van belanghebbende tegen de vastgestelde WOZ-waarden van drie onroerende zaken met waardepeildatum 1 januari 2020. De heffingsambtenaar had de waarden vastgesteld op respectievelijk € 170.000, € 127.000 en € 135.000, waarbij slechts de waarde van het eerste object werd verlaagd na bezwaar.
Belanghebbende voerde onder meer aan dat de coronacrisis invloed had moeten hebben op de waardering en dat de gebruikte vergelijkingsobjecten ongeschikt waren en onjuist waren geïndexeerd. De rechtbank oordeelde dat de coronacrisis geen invloed kon hebben op de peildatum en dat de vergelijkingsobjecten adequaat waren gebruikt en geïndexeerd. De waardes zijn daarom niet te hoog vastgesteld.
Verder werd een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn behandeld. De rechtbank verlengde de redelijke termijn met vijf maanden vanwege onnodige vertraging door kansloze beroepen op betalingsonmacht van de gemachtigde, maar wees het verzoek om vergoeding af. Wel werd een beperkte vergoeding toegekend en de proceskosten van belanghebbende in de beroepsfase toegewezen.