ECLI:NL:GHDHA:2023:1293
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- I. Reijngoud
- H.A.J. Kroon
- Chr.Th.P.M. Zandhuis
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde garageboxen en afwijzing vergoeding immateriële schade wegens redelijke termijn
Belanghebbende, eigenaar van identieke garageboxen, stelde dat de door de Heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde te hoog was en verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank had de beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding afgewezen. Het Gerechtshof bevestigt dit oordeel.
De Heffingsambtenaar onderbouwde de WOZ-waarde met een waarderapport en een matrix, waarbij vergelijkingsobjecten werden gebruikt die voldoende vergelijkbaar zijn met de onroerende zaken. Het Hof sluit zich aan bij de Rechtbank dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De stelling van belanghebbende over onduidelijkheid van de indexatie en andere algemene bezwaren werden niet gegrond bevonden.
Met betrekking tot de redelijke termijn overweegt het Hof dat de coronapandemie geen bijzondere omstandigheid vormt die verlenging rechtvaardigt, omdat partijen niet in de periode van sluiting van gerechtsgebouwen voor zitting waren uitgenodigd. Wel werd een vertraging door het procesgedrag van de gemachtigde erkend, waardoor de redelijke termijn met drie maanden werd verlengd. Hierdoor is geen overschrijding en wordt het verzoek om vergoeding afgewezen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde en wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.