Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van een café/bar/cafetaria met woongedeelte, vastgesteld op €487.000 per 1 januari 2020. De heffingsambtenaar baseerde deze waarde onder meer op een taxatierapport en een eigen aankoopcijfer uit de coronaperiode. Belanghebbende stelde dat de waarde te hoog was vanwege de invloed van COVID-19 op de horeca en dat het aankoopcijfer niet bruikbaar was omdat het na de waardepeildatum lag.
De rechtbank oordeelde dat het aankoopcijfer, ondanks dat het uit de coronaperiode dateert, bruikbaar is en eerder een te lage waarde suggereert, omdat op de waardepeildatum nog geen coronamaatregelen golden. Ook het vergelijkingsobject bevestigde de redelijkheid van de vastgestelde waarde. Omdat belanghebbende geen bezwaar maakte tegen de waarde van het woongedeelte, bleef de WOZ-waarde in stand.
Verder verzocht belanghebbende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateerde een overschrijding van iets meer dan twee maanden, mede veroorzaakt door een kansloos beroep op betalingsonmacht door de gemachtigde, wat tot onnodige vertraging leidde. De rechtbank kende een vergoeding van €500 toe, waarbij het no cure no pay-principe geen verlaging rechtvaardigde.
Tot slot werd belanghebbende een proceskostenvergoeding van €837 toegekend, maar geen griffierechtvergoeding omdat het beroep ongegrond was.