In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Gelderland het beroep van eiseres tegen het besluit van het UWV om een loongerelateerde WGA-uitkering toe te kennen aan werknemer per 12 oktober 2020. Het geschil betreft de vraag of het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig en conform de vereisten is uitgevoerd, ondanks dat er geen fysiek spreekuurcontact heeft plaatsgevonden.
De primaire verzekeringsarts heeft werknemer telefonisch gesproken, waarbij diens zoon als tolk fungeerde, en dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier onderzocht en zich achter de conclusies van de primaire arts geschaard. De rechtbank oordeelt dat het telefonisch spreekuurcontact voldoende zorgvuldig was en dat het afzien van een fysiek onderzoek gerechtvaardigd was, mede gezien het recente lichamelijke onderzoek door een revalidatiearts.
Voorts is geoordeeld dat de verzekeringsartsen terecht hebben aangenomen dat werknemer geen benutbare mogelijkheden had (GBM), ondanks het ontbreken van een medisch substraat voor de bedlegerigheid. De rechtbank wijst erop dat meerdere behandelaars consistent melding maken van nagenoeg volledige bedlegerigheid en dat er meerdere diagnoses zijn gesteld. De omstandigheid dat later een IVA-uitkering is toegekend, doet niet af aan de zorgvuldigheid van de beoordeling op de datum in geding.
Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand. De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter H.J. Klein Egelink en griffier J. de Graaf.