Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
1 april 2024 opgezegd. De opzegging is door [eiser in conv] per e-mail bevestigd. Hierin staat onder meer het volgende:
[gedaagde in conv] onder meer als volgt bericht:
3.Het geschil
[gedaagde in conv] onbillijk. Voor het geval de kantonrechter het concurrentiebeding niet geheel vernietigt, belemmert het beding haar dermate om anders dan in dienst van [eiser in conv] werkzaam te zijn, dat haar een vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 5 BW dient toe te komen voor de duur van het concurrentiebeding. Door het concurrentiebeding heeft zij in de zes maanden na einde dienstverband geen inkomen gehad. [eiser in conv] dient daarom een vergoeding te betalen van 75% van haar loon vermeerderd met vakantiegeld over deze periode, zijnde een totaalbedrag van € 9.803,35.
4.De beoordeling in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
[gedaagde in conv] een concurrerende onderneming is die binnen de in het concurrentiebeding genoemde straal is gelegen. Dat [gedaagde in conv] deze onderneming is gestart gedurende de looptijd van het concurrentiebeding is echter wel in geschil.
[gedaagde in conv] het concurrentiebeding heeft overtreden.
5.De beslissing
5 december 2025.