ECLI:NL:RBGEL:2025:11231

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
ARN 25/1594
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgevingsvergunning voor dakterras zonder toestemming vereniging van eigenaren

Deze uitspraak betreft een omgevingsvergunning voor een dakterras bij een bovenwoning in Arnhem. De vergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan, wat leidt tot onvrede bij de eiseres, die onder de bovenwoning woont. Eiseres is van mening dat er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, omdat de vereniging van eigenaren geen toestemming heeft gegeven voor het dakterras. De rechtbank oordeelt echter dat het college van burgemeester en wethouders de vergunning terecht heeft verleend. De rechtbank stelt vast dat het dakterras en het gebruik ervan expliciet zijn genoemd in de splitsingsakte van de appartementsrechten, waardoor de door eiseres aangevoerde privaatrechtelijke belemmering niet evident is. De rechtbank concludeert dat de belangen van eiseres voldoende zijn afgewogen en dat er geen aanleiding is voor schadevergoeding vanwege te late besluitvorming. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de omgevingsvergunning in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1594

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem

(gemachtigde: mr. S.A. Joosten).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel [derde-partij/vergunninghouder], vergunninghouder

(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor een dakterras bij de bovenwoning aan de [locatie] [huisnummer 1] in [plaats]. Deze vergunning is in afwijking van het bestemmingsplan verleend. Eiseres woont op nummer [huisnummer 2], onder de bovenwoning, en is het niet eens met het dakterras. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen:
  • Is sprake van een evident privaatrechtelijke belemmering?
  • Heeft het college achteraf ter legalisering een vergunning kunnen verlenen?
  • Heeft het college de belangen van eiseres voldoende afgewogen?
  • Is er aanleiding voor schadevergoeding vanwege te late besluitvorming?
Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Bij besluit van 24 oktober 2023 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning voor het legaliseren van het dakterras en het plaatsen van een hekwerk verleend. [1]
2.1.
Met het bestreden besluit van 28 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven, en heeft zij aan eiseres een dwangsom toegekend wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
Vergunninghouder heeft een reactie ingediend.
2.5.
Bij brief van 16 juli 2025 heeft de rechtbank partijen voorgehouden dat zij een zitting niet nodig vindt. Bij brief van 4 augustus 2025 heeft de gemachtigde van eiseres laten weten dat eiseres een zitting wenst.
2.6.
Bij brief van 28 augustus 2025 zijn partijen opgeroepen voor de zitting van maandag 27 oktober 2025 om 9.00 uur.
2.7.
Op 16 oktober 2025 heeft eiseres nadere stukken ingediend.
2.8.
Op 20 oktober 2025 heeft vergunninghouder een reactie ingediend.
2.9.
Bij e-mailbericht van vrijdag 24 oktober 2025 om 15.09 uur heeft de gemachtigde van eiseres aan de rechtbank laten weten “Wat mijn zijde betreft is voldoende toegelicht, en wordt afgezien van een toelichting ter zitting.”
2.10.
De rechtbank heeft het beroep op maandag 27 oktober 2025 om 9.00 uur op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Strijd met goede procesorde?
3. De rechtbank oordeelt dat de nadere stukken van eiseres van 16 oktober 2025 binnen de termijn van tien dagen [2] bij de rechtbank zijn binnengekomen. De rechtbank ziet anders dan vergunninghouder naar voren heeft gebracht geen aanleiding deze stukken buiten beschouwing te laten. De overgelegde stukken zijn bekend tussen vergunninghouder en eiseres en ook het college heeft tijdens de zitting aangegeven dat aanhouding niet nodig is. De rechtbank beoordeelt de omgevingsvergunning vervolgens aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Planologisch kader
4. Ter plaatse geldt – voor zover relevant - het bestemmingsplan “[naam bestemmingsplan]" (hierna: het bestemmingsplan) en is het perceel bestemd voor “Wonen”. Het realiseren van een hekwerk boven op de tweede etage is in strijd met artikel 2.10.2, onder b, van het bestemmingsplan, omdat de bouwhoogte hoger is dan is toegestaan.
Is sprake van een evident privaatrechtelijke belemmering?
5. Eiseres betoogt dat sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering die aan verlening van de vergunning in de weg staat. Haar advocaat verwoordt dat als volgt:
“een illegaal gecreëerd dakterras, zonder toestemming van de VvE (en die toestemming is nog steeds niet gegeven, hetgeen zou (kunnen/gaan) leiden tot een civielrechtelijke gebod tot verwijdering), (…)”, en
“zie de bijlagen: zie pagina 7 onder k: [derde-partij/vergunninghouder] heeft wel degelijk toestemming nodig voor hetgeen hij vergunning voor aanvraagt;”.
5.1.
Een evidente privaatrechtelijke belemmering kan in de weg staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. De burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter moet als eerste beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het uitvoeren van een activiteit. De bestuursrechter zal daarom alleen oordelen dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningverlening in de weg staat als die belemmering evident is. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van een bouwwerk de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven. [3]
5.2.
De rechtbank oordeelt dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering. Bij de splitsing van de appartementsrechten in 2015 worden het dakterras en het gebruik ervan expliciet genoemd in de splitsingsakte. Bij die akte is ook de vereniging van eigenaren (vve) opgericht. De door eiseres genoemde privaatrechtelijke belemmering van benodigde toestemming van de vve is daarom niet evident. Dat eiseres verwijst naar een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 12 augustus 2025 maakt het reeds niet anders omdat de rechtbank het bestreden besluit beoordeelt op het moment van het nemen van dat besluit, namelijk 28 maart 2025. Daarom komt de rechtbank niet toe aan de vraag of dat vonnis inhoudelijk maakt dat er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. De beroepsgrond slaagt niet.
Toetsingskader
6. De rechtbank stelt voorop dat het college beleidsruimte toekomt bij de beslissing om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de besluitvorming in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan ook aan de orde komen of de nadelige gevolgen van de verleende omgevingsvergunning onevenredig zijn in verhouding tot de met de omgevingsvergunning te dienen doelen. [4]
Heeft het college achteraf ter legalisering een vergunning kunnen verlenen?
7. Eiseres betoogt dat het college niet achteraf een omgevingsvergunning kan verlenen voor het dakterras en geplaatste hekwerk. Haar advocaat verwoordt dat als volgt:
“het college doet maar wat; een vergunningaanvraag, vergunningverlening uit 2023, waartegen tijdig bezwaar is gemaakt, komt - voor het eerst - op een hoorzitting in 2025. Ter zitting erkent vergunninghouder gehandeld te hebben zonder omgevingsvergunning, en vervolgens geplaatst te hebben , resp. aanpassingen te hebben verricht, in strijd met die omgevingsvergunning;”.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft uitgelegd waarom het college een omgevingsvergunning heeft verleend ter legalisatie van de bestaande situatie. Het college is naar aanleiding van een handhavingsverzoek eerst gaan handhaven. Na het opleggen van een last onder dwangsom is de aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen en is uiteindelijk de vergunning verleend waarmee de situatie is gelegaliseerd. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de beslissing op het bezwaar van eiseres te lang heeft geduurd door stilzitten aan de zijde van het college, hoewel ook de proceshouding van de gemachtigde van eiseres het proces heeft vertraagd, bijvoorbeeld door het vragen voor een termijn voor het aanvullen van de bezwaargronden waarna (na telefonisch navragen) toch geen gronden worden aangeleverd. Wat hier ook van zij, de vertraging maakt het besluit niet onrechtmatig. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college de belangen van eiseres voldoende afgewogen?
8. Eiseres betoogt dat de belangen van eiseres niet zijn meegewogen. Haar advocaat verwoordt dat als volgt:
“* het belang van [eiseres] wordt niet meegewogen. Ramen in de woning zouden een grotere impact hebben op de privacy van [eiseres]. Niets is minder waar.”
“een illegaal gecreëerd dakterras, zonder toestemming van de VvE (en die toestemming is nog steeds niet gegeven, hetgeen zou (kunnen/gaan) leiden tot een civielrechtelijke gebod tot verwijdering), met niet door een aangevraagde vergunning gedekte elementen, leidt - per direct- tot een ongecontroleerde, en gevaarzettende situatie voor [eiseres] en haar eventuele gast(en).”
“Let wel: zowel in primo als bij het bestreden besluit wordt geen, resp. onvoldoende oog gericht op de belangen van [eiseres]; onderdeel van die belangen is ook de wijze waarop enerzijds verweerder omgaat met haar belangen, en anderzijds de bevestiging van [derde-partij/vergunninghouder] dat hij nog geen aanpassingen heeft verricht. Die aanpassingen waren slechts voor vergunningverlening en voor het overige voor de bühne.”
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college de belangen van eiseres voldoende heeft afgewogen. Het college heeft afgewogen dat vanwege de privacy van eiseres het dakterras en hekwerk op eenzelfde manier zijn vorm gegeven als in spiegelbeeld bij de naastgelegen woning (nr. 67). Verder heeft het college afgewogen dat de privacy van eiseres al beperkt is vanwege het zicht dat vergunninghouder vanaf zijn balkon heeft op haar tuin. Een dergelijke beperking acht het college passend binnen een stedelijke omgeving.
Voor zover eiseres gevaar vreest voor haar eigendom kan dat in deze procedure niet aan de orde komen nu er geen sprake is van een onrechtmatig besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er aanleiding voor schadevergoeding vanwege te late besluitvorming?
9. Eiseres betoogt dat zij schade heeft geleden doordat het college te laat en onrechtmatig heeft besloten. Haar advocaat verwoordt dat als volgt:
“[eiseres] vormt, tezamen met vergunninghouder i.c., een VvE (van twee leden). [eiseres] heeft verzocht om handhaving, heeft bezwaar gemaakt tegen een beschikking van maanden (lees een halfjaar!) na handhaving, en heeft in de tussentijd kosten moeten maken i.v.m. civiele procedures omtrent het gestelde dakterras. Deze civiele procedures hadden voorkomen kunnen worden als verweerder tijdig had gehandeld, conform van haar mocht worden verlangd en aan haar werd verzocht. Het gaat hier om kosten rechtsbijstand, griffierechten, en andere schadeposten die rond de € 5.000,00 kunnen worden begroot.”
“* [eiseres] doet een absoluut beroep op artikel 6 EVRM: [eiseres] wordt al sinds 2022 geconfronteerd met dit handelen door [derde-partij/vergunninghouder] en het nalaten door verweerder;
een oordeel, in beroep, eind november 2025, levert an sich schending 6 EVRM op;
schade dient te worden vergoed.”
9.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres een dwangsom wegens niet tijdig beslissen heeft ontvangen van het college. Dat een besluit te laat is genomen betekent nog niet dat het besluit onrechtmatig is. Slechts in het geval dat een besluit wordt vernietigd, is sprake van een onrechtmatig besluit en kan eiseres in aanmerking komen voor schadevergoeding. Daarvan is in dit geval geen sprake. Er is dus geen aanleiding de (niet onderbouwde) schadeposten die hierboven zijn genoemd, te vergoeden.
9.2.
Uit vaste rechtspraak [5] volgt dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Voor de berechting van een zaak in eerste aanleg geldt als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, als de rechter in eerste aanleg niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van een eventuele bezwaarschriftprocedure inbegrepen. [6] In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, heeft voor de toerekening van die termijnoverschrijding aan het bestuursorgaan, respectievelijk de rechter, als uitgangspunt te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd, als de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase als zij meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen een langere duur rechtvaardigen.
9.3.
De behandeling van de totale procedure heeft vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 28 november 2023 tot aan deze uitspraak twee jaar en drie weken geduurd. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase is in beginsel gezamenlijk twee jaar, tenzij er omstandigheden zijn die een langere duur rechtvaardigen. Daarvan is in dit geval sprake. De procedure bij de rechtbank heeft door de proceshouding van de gemachtigde van eiseres – een advocaat - nodeloos drie maanden langer geduurd. De rechtbank heeft namelijk aan partijen voorgehouden dat de rechtbank zich voldoende voorgelicht achtte om in deze zaak zonder zitting uitspraak te doen. Eiseres heeft vervolgens via haar gemachtigde expliciet om een zitting verzocht, waarna de gemachtigde op vrijdagmiddag (voordat de zitting op maandagochtend plaatsvindt) mededeelt niet te zullen verschijnen omdat hij vindt dat de zaak voldoende is toegelicht. Gezien deze feiten oordeelt de rechtbank dat de procedure door het optreden van de gemachtigde van eiseres onnodig langer heeft geduurd. De rechtbank vindt daarom dat in dit geval, met een termijn van twee jaar en een maand, de redelijke termijn niet is overschreden. Eiseres heeft dus geen recht op een schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor het legaliseren van het dakterras en het plaatsen van een hekwerk in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
10.1.
Ook heeft eiseres geen recht op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 4, onderdeel 4, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
2.In artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.ABRvS 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5239.
4.ABRvS 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1136 onder 9.
5.Zie bijvoorbeeld ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.
6.ABRvS 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:704, onder 3.1.