ECLI:NL:RBGEL:2025:11243

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
ARN 24/4387
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 ParticipatiewetArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen ingangsdatum bijstand op grond van Participatiewet

Eiseres verzocht om bijstand met terugwerkende kracht vanaf 25 maart 2023, nadat zij vanwege een onveilige situatie haar woning had moeten verlaten. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk kende bijstand toe met ingang van 20 juni 2023, de datum van haar aanvraag. Eiseres stelde dat bijzondere omstandigheden en financiële problemen een eerdere ingangsdatum rechtvaardigden.

De rechtbank overwoog dat volgens artikel 44 van Pro de Participatiewet bijstand in beginsel pas wordt toegekend vanaf de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Eiseres kon niet aannemelijk maken dat zij niet eerder kon aanvragen, noch dat de financiële steun van haar ouders als leningen moest worden aangemerkt. De rechtbank kwalificeerde deze steun als gift en vond geen bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt, omdat het wetsvoorstel 'Participatiewet in Balans' nog niet was ingediend en de wetgever de gevolgen van artikel 44 bewust Pro heeft aanvaard. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de ingangsdatum van bijstand wordt ongegrond verklaard en het recht op bijstand blijft ingaan op 20 juni 2023.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4387

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. B.J.M. de Leest),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk, het college
(gemachtigde: A.J.L. Bakker).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van bijstand aan eiseres per 20 juni 2023 op grond van de Participatiewet (Pw). Eiseres is het niet eens met de ingangsdatum van het recht op bijstand. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de ingangsdatum van het recht op bijstand.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het college heeft het recht op bijstand terecht op 20 juni 2023 laten ingaan. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. Eiseres krijgt daarom geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 20 juni 2023 een aanvraag ingediend voor algemene bijstand. Het college heeft met het besluit van 22 augustus 2023 bijstand toegekend aan eiseres met ingang van 20 juni 2023. Met het bestreden besluit van 21 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Op 25 maart 2023 heeft eiseres met haar twee minderjarige kinderen het huis, waar zij woonde met haar toenmalige partner, onder politiebegeleiding moeten verlaten vanwege een onveilige situatie. Eiseres is vervolgens op zoek gegaan naar een verblijfplaats voor haarzelf en haar kinderen. Vanaf 31 maart 2023 heeft zij contact met een jeugdconsulent van de gemeente Nijkerk over het vinden van een verblijfplaats. Eiseres heeft nadien op verschillende adressen verbleven. Op 11 april 2023 heeft eiseres hulp gevraagd aan het Gebiedsteam. In mei 2023 wordt de hulpvraag van eiseres overgedragen aan een andere jeugdconsulent. Die jeugdconsulent wijst eiseres er op 8 juni 2023 op dat het proces van het vinden van een woonplek mogelijk kan worden versneld door het indienen van een aanvraag voor bijstand.
3.1.
Op 20 juni 2023 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor bijstand. De door haar gewenste ingangsdatum is 25 maart 2023. In de periode maart-juni 2023 hebben de ouders van eiseres financiële ondersteuning geboden. Eiseres is per 1 augustus 2023 ingeschreven op een (nieuw) adres binnen de gemeente Nijkerk.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
4. Met het besluit van 22 augustus 2023 is aan eiseres algemene bijstand toegekend per 20 juni 2023. In het geval van eiseres ziet het college geen dringende reden om de bijstand met een eerdere ingangsdatum te verlenen. Eiseres heeft bovendien tot de meldingsdatum betalingen van haar ouders ontvangen, waarmee zij in de kosten van haar levensonderhoud kon voorzien.
4.1.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Aan het besluit ligt een advies van 1 mei 2024 van de commissie bezwaarschriften van de gemeente Nijkerk (de commissie) ten grondslag. De commissie overweegt dat er geen sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. Eiseres beschikte namelijk over financiële middelen om in haar bestaan te voorzien, zij was goed in staat om contact met diverse instanties te onderhouden om te voorzien in haar woonsituatie en verbleef om niet op verschillende adressen. Van een beperkt doenvermogen is geen sprake. Eiseres heeft niet aangegeven bij de jeugdconsulent dat zij in een penibele financiële situatie verkeerde. De stelling dat de van haar ouders ontvangen bedragen leningen zijn, acht de commissie niet of onvoldoende onderbouwd. In het opmerkingsveld bij de overboekingen staan woorden als “gift” en “steun”.
Wat betreft de Kamerbrief van 28 november 2022 ‘Stand van zaken Participatiewet in balans’, is de commissie niet gebleken dat thans een concreet wijzigingsvoorstel voor de Participatiewet voorligt. De commissie kan de situatie alleen beoordelen op basis van de huidige wetgeving en rechtspraak.
Is sprake van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen?
Wat vindt eiseres?
5. Eiseres betoogt dat zij vanaf 25 maart 2023 recht heeft op bijstand, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden. Die bijzondere omstandigheden zijn gelegen in het feit dat zijn na een geweldsfeit plotseling met haar kinderen op straat stond. Dat heeft veel impact gemaakt en stress gegeven. Verder blijkt uit het app-contact dat eiseres met medewerkers van de gemeente Nijkerk had, dat zij alles was zij kon doen heeft gedaan en afhankelijk was van de hulp van het college. Het lag op de weg van het college om haar te helpen met het indienen van de aanvraag voor bijstand, maar dat is door het college te laat opgepakt. Eiseres kan dan ook geen enkel verwijt worden gemaakt voor de late aanvraag van de bijstand. Tijdens de zitting heeft eiseres nog aangevuld dat zij in de periode na 25 maart 2023 ook financiële problemen had. Eiseres betoogt verder dat de overboekingen van haar ouders geen inkomsten zijn, maar leningen. Die leningen zijn aan eiseres verstrekt, omdat financiële hulp van het college uitbleef. Eiseres wijst er verder op dat volgens de beleidsregels van de gemeente Nijkerk giften tot een bedrag van € 1.200 buiten beschouwing blijven. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel (‘de menselijke maat’). Het college had namelijk moeten anticiperen op het wetsvoorstel Participatiewet in Balans.
Wat vindt het college?
6. Het college heeft aangevoerd dat de middelen van eiseres over de periode van 25 maart 2023 tot aan de aanvraag de bijstandsnorm overstegen, waardoor er geen recht op bijstand bestond in de periode vóór de aanvraag. De financiële steun die eiseres heeft ontvangen van haar ouders moet worden aangemerkt als een gift. Daarnaast heeft het college aangevoerd dat de omstandigheden van eiseres een eerdere ingangsdatum niet rechtvaardigen. Het college ziet geen aanleiding om te anticiperen op het genoemde wetsvoorstel.
Wat vindt de rechtbank?
7. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 44, eerste lid, van de Pw bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. [1] Het is aan eiseres als aanvrager om het bestaan van dergelijke bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken.
7.1.
De rechtbank overweegt dat het college als meest verstrekkend standpunt naar voren heeft gebracht dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat het inkomen van eiseres gedurende de te beoordelen periode van 25 maart 2023 tot 20 juni 2023 hoger was dan de bijstandsnorm. De rechtbank zal daarom eerst dit standpunt beoordelen. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat maandelijks door de ouders van eiseres geld werd overgemaakt naar haar bankrekening. Het gaat om bedragen variërend van € 100 tot €1.000. Eiseres heeft tijdens de zitting beaamd dat als sec naar haar inkomen (inclusief de bijschrijvingen van ouders en ex-partner) wordt gekeken zij inderdaad een inkomen had boven de voor haar geldende bijstandsnorm. Echter, volgens eiseres kunnen de bijschrijvingen niet tot haar inkomen worden gerekend omdat het leningen zijn.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiseres niet vrijelijk kon beschikken over de periodieke bijschrijvingen. Naar vaste rechtspraak van de CRvB moeten periodieke betalingen van derden (waaronder familieleden), ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt, en waarover vrijelijk kan worden beschikt als inkomen worden aangemerkt. [2] Voor de vraag of sprake is van inkomsten is dus in beginsel niet relevant of de bijschrijvingen giften of leningen zijn. [3] In dit geval is het onderscheid wel van belang, omdat het college (buitenwettelijk begunstigend) beleid heeft op grond waarvan giften tot €1.200 in bepaalde gevallen niet meetellen voor (het recht op) de bijstand.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres haar standpunt, dat de financiële steun die haar ouders haar voorafgaand aan de aanvraag om bijstand hebben verleend leningen zijn, onvoldoende heeft onderbouwd. Verder blijkt ook uit de opmerkingen bij de bijschrijvingen niet dat het om leningen gaat. Bij de bijschrijvingen staan namelijk opmerkingen als: “gift”, “steun”, “hartelijke groeten” etc. Ook acht de rechtbank het van belang dat eiseres op het aanvraagformulier heeft aangekruist dat zij geen leningen heeft. De rechtbank stelt daarom vast dat de financiële steun die eiseres van haar ouders heeft ontvangen, voorafgaand aan de aanvraag om bijstand, moet worden aangemerkt als gift.
7.4.
De rechtbank overweegt verder dat het college tijdens de zitting het standpunt heeft ingenomen, dat op grond van het gemeentelijk beleid inzake giften een deel van de bijschrijvingen wel en een deel van de bijschrijvingen niet zou kunnen worden vrijgesteld. Omdat het de rechtbank niet duidelijk is welke gift(en) wel en welke gift(en) het college niet vrijstelt voor de berekening van het inkomen (en het college dat verder ook niet heeft onderbouwd) en de rechtbank dus niet kan beoordelen of eiseres de gehele te beoordelen periode inkomen boven de bijstandsnorm heeft ontvangen, zal de rechtbank het meest verstrekkende standpunt van het college passeren. Eiseres heeft tijdens de zitting verzocht om toepassing van de (informele) burgerlus, zodat zij haar standpunt dat de bijschrijvingen leningen zijn nader kan onderbouwen. Omdat de rechtbank het standpunt van het college passeert, is er geen reden voor toepassing van de burgerlus.
7.5.
Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat het inkomen van eiseres in de gehele te beoordelen periode hoger was dan de bijstandsnorm. Dat betekent dat ook niet vaststaat dat eiseres in die periode geen recht op bijstand had en daarom al geen eerdere ingangsdatum gerechtvaardigd was. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of sprake was van (andere) bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.
8. De rechtbank kan zich voorstellen dat eiseres een moeilijke periode heeft doorgemaakt na het plotselinge vertrek uit de woning van haar ex-partner, maar dit neemt niet weg dat de rechtbank vindt dat het college de ingangsdatum op goede gronden heeft bepaald op 20 juni 2023. Hetgeen eiseres aanvoert leidt namelijk niet tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van wat zij heeft mee- en doorgemaakt niet in staat was om eerder een melding voor bijstand te doen of om een aanvraag om bijstand in te dienen. Er is geen concrete en verifieerbare (medische) informatie ingebracht om dit nader te onderbouwen. Uit het dossier blijkt dat eiseres in de periode na 25 maart 2023 in staat was om allerlei andere zaken te regelen, zoals (tijdelijke) huisvesting en een advocaat voor de ontbinding van de samenlevingsovereenkomst en de omgangsregeling. Ook heeft zij financiële ondersteuning door haar ouders geregeld. Dat eiseres naar zij stelt een beperkt doenvermogen had, is de rechtbank gelet op het voorgaande en ook gelet op wat eiseres tijdens de zitting heeft toegelicht, onvoldoende gebleken.
8.1.
Eiseres heeft tijdens de zitting aangegeven niet eerder bijstand te hebben aangevraagd, omdat zij dacht dat daarvoor een vast adres nodig was. De rechtbank oordeelt hierover dat onbekendheid met wet- of regelgeving niet een bijzondere omstandigheid is, die rechtvaardigt dat toch bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend. [4] Bovendien volgt uit het door eiseres in beroep overgelegde ongedateerde verslag ‘Casusbeschrijving Maatwerkoverleg’ dat een postadres een mogelijkheid was.
8.2.
Ook het gegeven dat eiseres het in de te beoordelen periode financieel zwaar had, is geen bijzondere omstandigheid. Het verkeren in bijstandbehoevende omstandigheden is op zichzelf namelijk geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan bijstandsverlening met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is. De oorzaak van het ontbreken van voldoende bestaansmiddelen is daarbij niet van belang. [5]
8.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat ook de inhoud van het app-verkeer met medewerkers van de gemeente Nijkerk niet leidt tot een ander oordeel. Uitgangspunt is dat de betrokkene die aanspraak maakt op bijstand zelf de verantwoordelijkheid heeft om zich tijdig te melden om bijstand aan te vragen. [6] Voor het doen van een (tijdige) melding voor bijstand is dus niet het college verantwoordelijk, zoals eiseres stelt. Uit het app-verkeer blijkt niet dat medewerkers van de gemeente eiseres hebben afgehouden van het doen van een melding of een aanvraag voor bijstand. Uit het app-verkeer volgt evenmin dat eiseres zich al eerder dan 20 juni 2023 tot het college heeft gewend met een melding (dan wel een duidelijke wens of behoefte) voor bijstand. Het app-verkeer gaat met name over het vinden van huisvesting voor haarzelf en haar kinderen en over het contact tussen haar ex-partner en de kinderen. Ook nadat eiseres in een app-bericht van 8 juni 2023 door de jeugdconsulent is gewezen op de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor bijstand, heeft zij daarmee gewacht tot 20 juni 2023. De beroepsgrond slaagt niet
Strijd met evenredigheidsbeginsel?
9. Eiseres heeft verder aangevoerd dat het college bij het nemen van het bestreden besluit had moeten anticiperen op het wetsvoorstel ‘Participatiewet in Balans’. Tijdens de zitting heeft eiseres desgevraagd toegelicht dat de beroepsgrond moet worden begrepen als een beroep op het evenredigheidsbeginsel (toepassing van ‘de menselijke maat’). De rechtbank oordeelt als volgt.
9.1.
Artikel 44, eerste lid, van de Pw schrijft als wet in formele zin dwingend voor dat, behoudens bijzondere omstandigheden, bijstand niet wordt toegekend vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Uit de rechtspraak van de CRvB volgt dat het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan toetsing van die bepaling aan het evenredigheidsbeginsel in de weg staat. [7] Dit is alleen anders in het geval van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd of bijzondere omstandigheden die meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
9.2.
De essentie van een dwingend geformuleerde termijnbepaling als artikel 44, eerste lid, van de Pw is dat degene die niet of niet tijdig zijn aanvraag indient zijn rechten verspeelt, ook als hij daardoor financieel of anderszins wordt gedupeerd. Deze essentie kan de wetgever bij het vaststellen van deze wetsbepaling, mede gelet op de ondubbelzinnige tekst ervan, niet zijn ontgaan, zodat moet worden aangenomen dat de wetgever deze gevolgen heeft bedoeld en voorzien. [8]
9.3.
De rechtbank oordeelt dat wat eiseres heeft aangevoerd niet inhoudt dat zo een bijzondere omstandigheid bestaat, omdat niet is gebleken dat de situatie van eiseres niet in de wetgeving is verdisconteerd. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld blijkt bovendien dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de melding of aanvraag om bijstand niet eerder dan 20 juni 2023 kon doen. Bovendien acht de rechtbank relevant dat eiseres in de te beoordelen periode in haar levensonderhoud kon voorzien, doordat zij financieel werd ondersteund door haar ouders. Dat het college niet heeft geanticipeerd op het wetsvoorstel ‘Participatiewet in Balans’ acht de rechtbank evenmin onevenredig alleen al omdat dit wetsvoorstel ten tijde van het bestreden besluit nog niet eens was ingediend bij de Tweede Kamer, zodat de status en de inhoud van het wetsvoorstel onzeker waren. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. De voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het beroep niet slaagt. Eiseres krijgt geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 24 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2407, en van 14 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2511
2.Zie bijvoorbeeld CRvB 11 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3836.
3.Vgl. CRvB 12 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1488.
4.CRvB 17 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:984.
5.CRvB 3 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2022.
6.CRvB 3 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2022.
7.CRvB 4 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1699.
8.CRvB 4 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1699.