ECLI:NL:CRVB:2024:984
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek bijstandsverlening met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant ontving bijstand sinds 2017 en woonde vanaf november 2020 weer samen met zijn partner en minderjarige kinderen. Het dagelijks bestuur stelde de bijstand toe vanaf de datum waarop appellant de wijziging van zijn gezinssituatie meldde, namelijk 20 januari 2021. Appellant verzocht om bijstand met terugwerkende kracht vanaf de datum van inschrijving van zijn partner en kinderen in de Basisregistratie personen (20 november 2020).
De Raad beoordeelde dat het uitgangspunt is dat bijstand niet wordt verleend vóór de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant voerde onder meer aan dat hij onvoldoende bekend was met de regelgeving, psychische problematiek had en dat toezeggingen waren gedaan door een consulent. Deze gronden werden niet aannemelijk gemaakt of waren onvoldoende onderbouwd.
De Raad oordeelde dat het inschrijven in de Basisregistratie personen niet automatisch leidt tot aanpassing van de bijstandsnorm en dat onbekendheid met de wet geen bijzondere omstandigheid vormt. Ook was er geen bewijs van toezeggingen door het dagelijks bestuur en was er geen sprake van onzorgvuldig handelen. Het beroep op het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel slaagde niet.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de bijstand bleef ongewijzigd. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht wordt afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.