ECLI:NL:RBGEL:2025:11306

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
11817880 \ HA VERZ 25-113
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurzaak over afmeervoorziening en kwalificatie als bedrijfsruimte

In deze zaak heeft de kantonrechter in Arnhem op 12 november 2025 uitspraak gedaan in een huurgeschil tussen Rederij Thalassa B.V. en Nautical Moments B.V. Thalassa verzocht de rechter te verklaren dat de huurovereenkomst voor een afmeervoorziening niet was geëindigd per 31 mei 2025. De huurovereenkomst was oorspronkelijk aangegaan voor vier jaar, met een optie tot verlenging. Thalassa stelde dat de afmeervoorziening kwalificeert als bedrijfsruimte onder artikel 7:290 BW, terwijl Nautical Moments betwistte dat de huurovereenkomst nog van kracht was. De kantonrechter oordeelde dat de afmeervoorziening niet als een gebouwde onroerende zaak kan worden gekwalificeerd, en dus niet onder de bepalingen van artikel 7:290 of 7:230a BW valt. De rechter concludeerde dat de huurovereenkomst niet was geëindigd, omdat deze stilzwijgend was verlengd met een jaar. De proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 11817880 \ HA VERZ 25-113
Beschikking van 12 november 2025
in de zaak van
REDERIJ THALASSA B.V.,
gevestigd te Den Hoorn,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Thalassa,
gemachtigde: mr. J.F. Bienfait,
tegen
NAUTICAL MOMENTS B.V.,
gevestigd te Tolkamer,
verwerende partij,
hierna te noemen: Nautical Moments,
gemachtigde: mr. K.M.G. Verkleij.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift, tevens houdende een tegenverzoek.
1.2.
De zaak is behandeld op 24 september 2025. Namens Thalassa zijn verschenen
[naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ), bijgestaan door mr. Bienfait. Namens Nautical Moments is verschenen [naam 3] (hierna: [naam 3] ), bijgestaan door mr. Verkleij. Mr. Bienfait heeft pleitaantekeningen voorgedragen en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De moedermaatschappij van Thalassa (Thalassa Investments B.V.) heeft in april 2019 een koopovereenkomst gesloten met de moedermaatschappij van Nautical Moments, (Magical Cruising B.V.). Op basis van deze overeenkomst heeft zij voor een bedrag van € 735.900,00 de mps Thalassa (hierna: het schip) gekocht en “de daarmee verbonden activa en activiteiten”. De mps Thalassa is een binnenvaartpassagierschip, bestemd voor rondvaarten en dagvervoer van passagiers, en staat ook wel bekend als ‘Partyschip Thalassa’.
2.2.
Op basis van een huurovereenkomst die Thalassa met Nautical Moments heeft gesloten huurt zij met ingang van 1 juni 2019 een afmeervoorziening voor het schip. In de op 28 juni 2019 opgemaakte schriftelijke huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
in aanmerking nemende:
dat de verhuurder eigenaresse is van de het stalen ponton, genaamd “Ponton Edwin”, gelegen aan [adres 1] , met een afmeting van eenentwintig (21) meter lengte en zes (6) meter breedte, met spudpalen, loopbrug met toegangshek en toebehoren, alsmede twee losse spudpalen en een elektriciteitskast en wateraansluiting op de wal. Het ponton is voorzien van een afsluitbaar horecamagazijn en een afsluitbare werkplaats met toebehoren (die nader zijn gespecificeerd in bijlage I bij deze overeenkomst). Het geheel hierna te noemen: “het gehuurde”;
dat verhuurder en huurder mondeling d.d. 7 mei 2019 zijn overeengekomen dat het gehuurde door verhuurder aan huurder zal worden verhuurd, gelijk huurder van verhuurder zal huren, met ingang van 1 juni 2019 voor een periode van 4 jaar met een optie van periodieke verlenging voor telkens 1 jaar;
(…)
Artikel 1 – Het gehuurde, bestemming, gebruik
1.1
Deze huurovereenkomst heeft betrekking het Ponton Edwin, zoals het hiervoor onder onderdeel a van de considerans is omschreven, hierna te noemen: “het gehuurde”.
1.2
Het gehuurde mag uitsluitend worden gebruikt als aanlegsteiger met een vaste ligplaats in Schoonhoven ten behoeve van het Partyjacht Thalassa. Huurder is verplicht om het gehuurde gedurende de duur van deze overeenkomst daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te gebruiken.
(…)
Artikel 2 – Duur, verlenging en opzegging
2.1
Onverminderd hetgeen hierna is bepaald in artikel 2.2, 2.3 en 2.4 is deze overeenkomst aangegaan voor bepaalde tijd voor de duur van vier (4) jaren met ingang van 1 juni 2019. De huurovereenkomst eindigt, zonder dat daarvoor opzegging is vereist, op 31 mei 2023 met een optie van periodieke verlenging voor telkens 1 jaar.
(…)
Artikel 3 – Betalingsverplichting, betaalperiode
(…)
3.3
De in artikel 3.2 bepaalde huurprijs wordt voor het eerst op 1 juni en zo vervolgens ieder jaar aangepast door de huurprijs zoals deze laatstelijk gold, te verhogen met 2 (twee) procent.(…)
2.3.
Tot 1 juni 2019 heeft een dochteronderneming van Magical Cruising B.V., Rederij Thalassa B.V [1] ., het schip geëxploiteerd. Vanaf die datum heeft Thalassa de exploitatie overgenomen.
2.4.
De huur voor de ponton is jaarlijks conform het bepaalde in artikel 3.3 van de huurovereenkomst per 1 juni met 2% verhoogd. De laatste door Thalassa ontvangen huurnota betrof die voor de maand juni 2025 en bedroeg € 676,52 plus btw. Thalassa heeft deze nota ontvangen op 2 mei 2025 en op 15 mei 2025 voldaan.
2.5.
Op 14 mei 2025 heeft [naam 3] namens Nautical Moments per e-mail en per post een aantekende brief gestuurd aan Thalassa. Hierin schrijft hij:
(…)
Een huurovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt na het verstrijken van die tijd, zonder dat daartoe een opzegging is vereist. Hierbij bevestig ik dat de huurovereenkomst derhalve eindigt op 31 mei 2025 en er geen nieuwe verlenging zal plaatsvinden.
Hoewel niet verplicht, wordt de huurovereenkomst zekerheidshalve opgezegd per 31 mei 2025. Voor de volledigheid wordt ook de ontruiming per die datum aangezegd.
(…)
Willen jullie mij binnen twee weken na heden schriftelijk bevestiging dat jullie instemmen met beëindiging van de huurovereenkomst per 30 mei 2025?
Na ontvangst van deze bevestiging ga ik graag met jullie in gesprek over de mogelijkheid om het ponton op een later moment op te leveren.
2.6.
Op 19 mei 2025 heeft [naam 2] namens Thalassa bovenstaande brief ondertekend, waarbij hij de datum van het einde van de huurovereenkomst en de datum van ontruiming heeft doorgestreept en daarbij heeft gezet: “(zoals besproken) n.t.b. / per nader te bepalen moment. 31-5 is niet haalbaar”.
2.7.
Partijen hebben vervolgens overleg gevoerd. Op 17 juni 2025 heeft [naam 3] aan [naam 2] en [naam 1] gemaild:
Bijgaande aangetekende brief laat niets aan duidelijkheid over. Als jullie het ponton willen blijven gebruiken tot 15 december 2025, graag bijgaand document retour op uiterlijk 20 juni 2025.
[naam 1] heeft in reactie hierop op 20 juni 2025 teruggemaild:
Ik had gehoopt jou al eerder te kunnen antwoorden, maar ik heb helaas zelf nog duidelijkheid betreft mijn alternatieven qua ligplaats.
Daarnaast is [naam 2] deze week op vakantie in Zwitserland en niet in staat iets te doen.
Volgende week laat ik weer van mij horen, hogelijk heeft [naam 2] dan tijd en heb ik wat duidelijkheid betreft een plan voor ene ligplaats.
(…)
Hierop heeft [naam 3] als volgt gereageerd:
(…)
Ik maak je/jullie er op attent dat het vinden van een andere ligplaatslos staatvan de het beëindigen van de huurovereenkomst van ponton Edwin per 31 mei 2025. Zoveel werk is het niet om de door ons gestelde voorwaarden om het moment van ontruimen voor een beperkte tijd uit te stellen tot 15 december 2025 te ondertekenen, zelfs vanuit een vakantieadres.
De aanzegging voor beëindiging dateert al vanaf 14 mei en de oplossing die ik jullie geboden heb vanaf 3 juni. Ik zal de genoemde termijn daarom met een week oprekkentot uiterlijk 27 juni 2025.
2.8.
De gemachtigde van Nautical Moment heeft op 8 juli 2025 een brief per deurwaardersexploot laten betekenen aan Thalassa, waarin zij Thalassa een laatste mogelijkheid geeft om in te stemmen met beëindiging van de huurovereenkomst onder de door Nautical Moments genoemde voorwaarden.
2.9.
Vervolgens heeft e-mail correspondentie tussen de gemachtigden van partijen plaatsgevonden.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Thalassa verzoekt de kantonrechter te verklaren voor recht dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst niet is geëindigd per 31 mei 2025, en
Primair: Thalassa niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek om verlenging van de ontruimingstermijn ex artikel 7:230a BW, indien en voor zover sprake is van artikel 7:290 BW bedrijfsruimte, en te verklaren dat de huurovereenkomst ex artikel 7:293 BW van rechtswege van kracht blijft totdat de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering van Nautical Moments als bedoeld in lid 2 van artikel 7:95 BW, althans omdat een vordering van Nautical Moments op grond van een redelijke afweging van de belangen van Nautical Moments bij beëindiging van de overeenkomst tegen die van Nautical Moments bij verlenging van de overeenkomst wordt afgewezen omdat van Thalassa niet kan worden gevergd dat zij het gehuurde ontruimd.
Subsidiair, indien en voor zover a) het gehuurde artikel 7:230a BW bedrijfsruimte betreft, en, indien vaststaat dat de huurovereenkomst is geëindigd per 31 mei 2025, b) de ontruiming rechtsgeldig zou zijn aangezegd tegen 31 mei 2025, verzoekt Thalassa de termijn waarbinnen de ontruiming moet plaatsvinden - voor het eerst - te verlengen voor een termijn van één jaar na het rechtsgeldig eindigen van de overeenkomst, waarbij Thalassa gedurende de verlenging eenzelfde huur betaalt als voor beëindiging van de huurovereenkomst, overeenkomstig artikel 3.2 van de huurovereenkomst en met inachtneming van de indexering zoals bepaald in artikel 3.3 van de huurovereenkomst.
Zowel primair als subsidiair verzoekt Thalassa om Nautical Moments te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de eventueel daarover verschuldigde wettelijke rente.
3.2.
Aan haar verzoeken heeft Thalassa - samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. Primair stelt zij dat sprake is van artikel 7:290 BW bedrijfsruimte, omdat de afmeervoorziening kwalificeert als een gebouwde onroerende zaak, die voor publiek toegankelijk is en een lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening bevat of betreft. Subsidiair is volgens haar sprake van artikel 7:230a BW bedrijfsruimte, omdat de constructie van de afmeervoorziening duurzaam met de grond verenigd is en ook overigens aan alle criteria van het Portocabin arrest [2] voldoet. Ten gevolge van de kwalificatie als artikel 7:290 BW bedrijfsruimte is de huurovereenkomst van rechtswege verlengd met vijf jaar en kan aan de huurovereenkomst geen einde komen door opzegging. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van artikel 7:230a BW bedrijfsruimte dan is de huur ten minste voor een jaar voortgezet, omdat Nautical Moments met de door Thalassa op 2 mei 2025 ontvangen nota de huur per 1 juni 2025 heeft verhoogd en belast, welke huur is voldaan. Hierdoor mist de later toegezonden huuropzegging rechtsgevolg, aldus Thalassa. Bovendien is geen geldige ontruimingstermijn aangezegd, omdat ontruiming is aangezegd tegen 31 mei 2025, derhalve één dag te vroeg. Tot slot stelt Thalassa dat zij voldoende belang heeft om een verlenging van de ontruimingstermijn met een jaar te verzoeken. Een belangenafweging tussen partijen dient in ieder geval in het voordeel van Thalassa uit te komen.
3.3.
Nautical Moments voert gemotiveerd verweer en concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van Thalassa en subsidiair tot afwijzing van het verzoek tot ontruimingsbescherming. Zowel primair als subsidiair verzoekt Nautical Moments de kantonrechter om Thalassa te veroordelen in de proceskosten, en daarbij het tijdstip van ontruiming vast te stellen op 1 december 2025, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
3.4.
Nautical Moments stelt zich op het standpunt dat de huurovereenkomst is geëindigd. Er was sprake van een overeenkomst voor bepaalde tijd en de laatste huurtermijn liep tot en met 31 mei 2025. De huurovereenkomst eindigde dus na het verstrijken van die termijn en dat is met de brief van 14 mei 2025 bevestigd. Nautical Moments betwist dat het op 2 mei 2025 verzenden van een huurnota voor de maand juni betekent dat de huurovereenkomst met een jaar is verlengd. Voor zover die verzending wel een verlenging zou impliceren, is sprake van een verlenging voor onbepaalde tijd en geldt dat de overeenkomst met de brief van 14 mei 2025 rechtsgeldig is opgezegd. Ook meent Nautical Moments dat de ontruimingstermijn wel degelijk rechtsgeldig is aangezegd. Nautical Moments stelt zich op het standpunt dat het gehuurde niet kwalificeert als artikel 7:290 BW bedrijfsruimte, omdat geen sprake is van een gebouwde onroerende zaak en omdat de afmeervoorziening niet wordt gebruikt voor een van de in artikel 7:290 BW genoemde bestemmingen. Omdat geen sprake is van een gebouwde onroerende zaak kan evenmin sprake zijn van artikel 7:230a BW bedrijfsruimte. Verder wijst Nautical Moments erop dat Thalassa met de beëindiging heeft ingestemd. Indien wordt toegekomen aan een belangenafweging wegen haar belangen zwaarder dan die van Thalassa, zo betoogt zij.
Ter onderbouwing van haar tegenverzoek stelt Nautical Moments dat zij er in verband met de verkoop van de aanmeervoorziening belang bij heeft dat het gehuurde uiterlijk 1 december 2025 wordt ontruimd, zodat zij nog een paar weken de tijd heeft alles gereed te maken voor de verkoop. Indien de kantonrechter de ontruimingsdatum heeft vastgesteld wenst zij deze ten uitvoer te kunnen leggen, zonder een schorsende werking van een eventueel door Thalassa ingesteld hoger beroep tegen het oordeel van de kantonrechter dat de huurovereenkomst geëindigd is. Nautical Moments heeft namelijk belang bij een verkoop van de afmeervoorziening, vrij van huur, uiterlijk op 31 december 2025.
3.5.
Op de stellingen van partijen, voor zover van belang, zal hierna nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de verzoeken van Thalassa en het tegenverzoek van Nautical Moments zal de kantonrechter de verzoeken gezamenlijk bespreken.
De kantonrechter in Arnhem is de bevoegde rechter
4.2.
De kantonrechter van deze rechtbank, locatie Arnhem, is bevoegd van de verzoeken kennis te nemen op basis van de aard van de verzoeken, die betrekking hebben op huur (artikel 93 Rv), en het forumkeuzebeding in artikel 11.2 van de huurovereenkomst.
De afmeervoorziening kwalificeert niet als artikel 7:290 of 7:230a BW bedrijfsruimte
4.3.
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of sprake is van artikel 7:290 BW of 7:230a BW bedrijfsruimte. Een vereiste daarvoor is dat sprake is van een gebouwde onroerende zaak.
4.4.
Op grond van artikel 3:3 BW is onroerend “de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken”. De vraag of een gebouw of werk onroerend is, dient dus beantwoord te worden aan de hand van het criterium “duurzaam met de grond verenigd”. De Hoge Raad heeft in zijn Portacabin-arrest van 31 oktober 1997 [3] uitgemaakt dat een gebouw duurzaam met de grond verenigd kan zijn, doordat het naar haar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. De technische mogelijkheid om het bouwwerk te verplaatsen is in dat geval niet meer van belang. Voor de bestemming om duurzaam ter plaatse te blijven moet volgens de Hoge Raad gelet worden op de bedoeling van de bouwer of diens opdrachtgever voor zover deze naar buiten toe kenbaar is. Ook los van de bedoeling van de bouwer moet voor willekeurige derden duidelijk zijn dat de zaak bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven.
4.5.
In zijn arrest van 11 april 2014 [4] heeft de Hoge Raad het begrip ‘gebouwde onroerende zaak’ uitgelegd in het kader van artikel 7:230a BW (overige bedrijfsruimte). Deze uitleg is ook van belang voor dit begrip in artikel 7:290 lid 2 BW, dat een definitie geeft van bedrijfsruimte in de zin van dat artikel. Uit genoemd arrest volgt dat in het kader van zowel artikel 7:230a BW als artikel 7:290 BW als uitgangspunt kan worden genomen dat een zaak in elk geval kan worden aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak als zich op of onder de grond een gebouw bevindt, tenzij dat gebouw als onderdeel van het gehuurde van verwaarloosbare betekenis is, en dat een gebouw een bouwwerk is dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt (vgl. artikel 1, aanhef en onder c, Woningwet). De Hoge Raad overwoog dat ook een zaak die niet (geheel) aan deze omschrijving voldoet onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak, maar dat een enkele verharding of bewerking van de grond in de regel niet toereikend is om een zaak aan te merken als gebouwd in de zin van artikel 7:230a BW (en dus ook niet in de zin van artikel 7:290 BW).
4.6.
Voor het antwoord op de vraag of het gehuurde voldoet aan de hiervoor vermelde maatstaf van een gebouwde onroerende zaak, is bepalend wat in de huurovereenkomst ten aanzien van het gehuurde is overeengekomen, alsmede wat partijen, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, voor ogen heeft gestaan. [5]
4.7.
De huurovereenkomst heeft als titel ‘Huurovereenkomst aanlegsteiger Veranda, Piet Smitkade te Rotterdam’. De considerans van de overeenkomst bepaalt dat Thalassa van Nautical Moment huurt “een ponton met spudpalen, loopbrug met toegangshek en toebehoren, alsmede twee losse spudpalen en een elektriciteitskast en wateraansluiting op de wal”. En dat de “ponton is voorzien van een afsluitbaar horecamagazijn en een afsluitbare werkplaats met toebehoren”. Daarnaast bepaalt artikel 1.2. van de huurovereenkomst dat het gehuurde uitsluitend mag worden gebruikt “als aanlegsteiger met een vaste ligplaats in Schoonhoven ten behoeve van het Partyjacht Thalassa”.
4.8.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de tekst van de overeenkomst volgt dat de ponton het doorslaggevende onderdeel is van het gehuurde. Een ponton kan verschillende functies hebben, waaronder die van aanlegsteiger, zoals hier het geval is. Een schip heeft een aanmeervoorziening nodig om veilig te kunnen aanmeren en om vanaf die voorziening van en aan boord te kunnen gaan. In dit geval is die aanmeervoorziening de ponton, die met het getijde kan meebewegen door de om de spudpalen geslagen ringen. Ook kunnen de gasten van het partyschip via de ponton het schip bereiken en verlaten.
4.9.
Partijen zijn het erover eens dat de ponton op zichzelf een roerende zaak is. Thalassa stelt zich echter op het standpunt dat de ponton slechts onderdeel is van het gehuurde en dat de gehele constructie van ponton, loopbrug en platformconstructie duurzaam met de grond verenigd en dus onroerend is.
4.10.
Een zaak die blijkens zijn constructie bestemd is om te drijven en drijft, moet worden aangemerkt als een schip in de zin van artikel 8:1 BW en is in het algemeen een roerende zaak [6] , aldus de Hoge Raad in het Woonark-arrest. Dit kan echter anders zijn indien een schip duurzaam met de grond is verenigd als bedoeld in artikel 3:3 lid 1 BW. De vraag of van een dergelijke duurzame vereniging sprake is hangt af van de omstandigheden van het geval. De kantonrechter stelt vast dat in de tekst van de huurovereenkomst niet letterlijk is opgenomen dat de platformconstructie aan de wal deel uitmaakt van het gehuurde. Maar ook al zou Thalassa worden gevolgd in die stelling, dan geldt nog steeds dat niet gezegd kan worden dat de ponton hierdoor duurzaam met de grond is verenigd. In het Marine-arrest [7] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een verbinding met de wal die ervoor zorgt dat het object met de waterstand kan meebewegen niet voldoende is om te spreken over duurzame vereniging. Nautical Moments heeft onweersproken gesteld dat de platformconstructie in 2012 is aangebracht in verband met verzwaringswerkzaamheden aan de dijk. Door deze werkzaamheden is de dijk iets naar buiten verplaatst en is het talud steiler gemaakt. Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft vervolgens een platformconstructie op de dijk gerealiseerd om aan de hellingshoek van de loopbrug te voldoen. De loopbrug wordt aan de kant van de dijk op zijn plaats gehouden via een stalen pin met bouten aan de platformconstructie. Met die pin blijven de ponton en loopbrug vastzitten aan de kade, maar kunnen de krachten door golven, getijverschillen of belasting van de ponton op een gecontroleerde manier worden opgevangen. De kantonrechter stelt vast dat de op deze wijze gemaakte verbinding met de wal niet belemmert dat de ponton bestemd is om te drijven en ook drijft en aldus een schip en een roerende zaak is. De verbinding met de wal door middel van de aansluiting op nutsvoorzieningen maakt evenmin dat sprake is van een duurzame vereniging met de grond. [8] Ook verder blijkt niet van de bedoeling van de bouwer om de ponton te verenigen met de bodem of de oever. Nautical Moments heeft onweersproken gesteld dat de ponton vrij eenvoudig van de spudpalen kan worden ontbonden en dat dit ten tijde van de verzwaringswerkzaamheden aan de dijk in 2012 ook is gebeurd en ook in 2023, na een aanvaring door een derde waardoor schade was ontstaan aan de ponton en deze moest worden gerepareerd. De kantonrechter is van oordeel dat de platformconstructie in de gegeven omstandigheden niet als mogelijke hoofdzaak in aanmerking kan worden genomen bij de beantwoording van de vraag of de ponton een bestanddeel is van een onroerende zaak in de zin van artikel 3:4 BW.
Tot slot neemt de kantonrechter in aanmerking dat Nautical Moments onweersproken heeft gesteld dat de Belastingdienst de ponton met loopbrug heeft aangemerkt als een roerende zaak en er geen WOZ-beschikking wordt afgegeven voor de ponton.
4.11.
Op basis van voorgaande overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat het gehuurde geen onroerende zaak is. Daarom hoeft niet meer te worden ingegaan op de vraag of sprake is van een
gebouwde(onroerende) zaak.
4.12.
De conclusie is dat afzonderlijk noch in samenhang gezien de door Thalassa aangedragen omstandigheden kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van huur van een gebouwde onroerende zaak. Daarom kwalificeert het gehuurde niet als bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7:290 BW of 7:230a BW. De kantonrechter zal de primaire en subsidiaire verzoeken van Thalassa daarom afwijzen.
De huurovereenkomst is niet geëindigd
4.13.
Vervolgens komt de kantonrechter toe aan de vraag of de huurovereenkomst is geëindigd per 31 mei 2025. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.14.
Op grond van artikel 7:228 lid 1 BW eindigt een huurovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege na het verstrijken van die bepaalde tijd zonder dat een opzegging is vereist. De huurovereenkomst tussen partijen is aangegaan voor de duur van vier jaar, met ingang van 1 juni 2019. In artikel 2.1 van de huurovereenkomst is bepaald dat “de huurovereenkomst eindigt, zonder dat daarvoor opzegging is vereist, op 31 mei 2023 met een optie van periodieke verlenging voor telkens 1 jaar.” Er is niet nader uitgewerkt wanneer en op welke wijze die optie van verlenging besproken moet worden.
4.15.
Vast staat dat de huurovereenkomst na 31 mei 2023 is verlengd. Thalassa heeft onweersproken gesteld dat partijen daarover verder niet hebben gesproken met elkaar. Gelet op artikel 2.1 van de huurovereenkomst, waarin expliciet is voorzien in de optie van periodieke verlenging van telkens één jaar, moet ervan worden uitgegaan dat de huurovereenkomst zowel in 2023 als in 2024 is verlengd met een periode van één jaar. Niet gesteld of gebleken is dat partijen iets anders met elkaar hebben afgesproken. Bovendien is Nautical Moments zelf ook uitgegaan van verlengingen van een jaar, hetgeen blijkt uit de brief van 14 mei 2025, waarin [naam 3] schrijft dat de huur “eindigt op 31 mei 2025”.
4.16.
Niet in geschil is dat partijen (ook) in 2025 geen contact hebben gehad over (de optie van) verlenging na 31 mei 2025. Nautical Moments heeft op 2 mei 2025 de huurnota voor de maand juni 2025 aan Thalassa gestuurd, waarbij zij de huurprijs conform het bepaalde in artikel 3.3 van de huurovereenkomst met 2% had verhoogd. Thalassa heeft de nota op 15 mei 2025 (14 dagen na de factuurdatum) voldaan. In 2023 en 2024 is dit op dezelfde manier gegaan. Partijen hebben ook toen geen contact met elkaar gehad over de huurverlenging, maar Nautical Moments heeft steeds in mei de geïndexeerde huurnota voor juni gestuurd, Thalassa heeft die nota voldaan en de huurovereenkomst is blijven doorlopen.
De kantonrechter is van oordeel dat Nautical Moments door het versturen van de geïndexeerde nota, in combinatie met de omstandigheid dat de huurovereenkomst de twee jaren ervoor op dezelfde wijze en zonder nader overleg tussen partijen steeds is verlengd voor de duur van een jaar, bij Thalassa het gerechtvaardigd vertrouwen [9] heeft gewekt dat haar wil erop gericht was de huurovereenkomst (wederom) met een jaar te verlengen. Het moet bovendien voor Nautical Moments al op dat moment duidelijk zijn geweest dat ook de wil van Thalassa gericht was op (opnieuw) een periodieke verlenging. Vast staat immers dat (de locatie van) de gehuurde afmeervoorziening als vaste ligplaats een belangrijke rol speelt in de exploitatie van Partyschip Thalassa, terwijl de periode mei-juni midden in het vaarseizoen valt. Daarbij komt dat partijen in de voorafgaande jaren (ook nog in 2024) meerdere keren hebben gesproken over een mogelijke overname van de ponton door Thalassa. Er moet daarom van worden uitgegaan dat met het versturen van de nota door Nautical Moments (stilzwijgend) sprake was van een overeengekomen verlenging met wederom één jaar. Nautical Moments heeft weliswaar aangevoerd dat haar wil niet op de verzonden nota kan worden gebaseerd, omdat de huurfacturen via een geautomatiseerd systeem worden verstuurd, maar dat kan haar niet baten. Het gaat immers om het ten tijde van het versturen van die factuur op 2 mei 2025 gewekte vertrouwen bij Thalassa. De omstandigheid dat de betaling van de factuur heeft plaatsgevonden na de verzending van de brief van Nautical Moments van 14 mei 2025 en dat die betaling op 19 juli 2025 is gecrediteerd, is dan ook niet van belang. Overigens is het ook niet zo dat Thalassa de factuur, na ontvangst van de brief van 14 mei 2025, in reactie daarop alsnog snel heeft betaald. Thalassa heeft met een uitdraai uit haar boekhoudsysteem onderbouwd dat de factuur al op 6 mei 2025 was goedgekeurd en op 15 mei 2025 (14 dagen na de factuurdatum) automatisch is voldaan. Het voorgaande brengt met zich mee dat de brief van Nautical Moments van 14 mei 2025 niet kan worden gezien als een rechtsgeldige op- of aanzegging, omdat de huurovereenkomst vóór die datum al was verlengd en geen sprake is van een tussentijdse opzegmogelijkheid.
4.17.
Nautical Moments heeft nog aangevoerd dat Thalassa, door het ondertekenen van de brief van 14 mei 2025, akkoord is gegaan met het beëindigen van de huurovereenkomst. Hierin volgt de kantonrechter haar niet. Thalassa heeft immers niet integraal ingestemd met het voorstel van Nautical Moments, aangezien [naam 2] de datum van het einde van de huurovereenkomst en de ontruiming heeft doorgestreept, onder de vermelding “nog nader te bepalen”. Er is hiermee sprake van een verwerping van het aanbod van Nautical Moments en een nieuw aanbod van Thalassa. [10] De datum van het einde van de huurovereenkomst en de ontruiming is immers een meer dan ondergeschikt punt.
4.18.
De kantonrechter concludeert op basis van voorgaande overwegingen dat de huurovereenkomst niet is geëindigd per 31 mei 2025, maar - net als de voorgaande twee jaren - is verlengd met één jaar. De kantonrechter zal de door Thalassa verzochte verklaring voor recht daarom toewijzen en het tegenverzoek van Nautical Moments om het tijdstip van ontruiming vast te stellen op 1 december 2025 afwijzen.
4.19.
De kantonrechter geeft partijen tot slot nogmaals in overweging met elkaar in gesprek te blijven over een alternatieve ligplaats voor Thalassa.
Partijen moeten hun eigen proceskosten dragen
4.20.
Nu beide partijen op onderdelen in het (on)gelijk worden gesteld bestaat aanleiding de proceskosten te compenseren, zodanig dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.
5. De beslissing
De kantonrechter
In het verzoek van Thalassa
5.1.
verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst niet is geëindigd per 31 mei 2025,
5.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
In het tegenverzoek van Nautical Moments
5.3.
wijst het verzoek af.
In beide verzoeken
5.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op
12 november 2025.
41245 \ 53331

Voetnoten

1.Deze dochteronderneming draagt precies dezelfde naam als verzoekster, maar is een andere onderneming.
2.HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478.
3.HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478.
4.HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:899.
5.HR 24 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1138 en HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7172.
6.HR 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9136.
7.HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8198.
8.HR 22 juli 1988, LJN AA7150.
9.Artikel 3:35 BW.
10.Artikel 6:225 lid 1 BW.