Eiseres exploiteert een agrarisch bedrijf en kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens overschrijding van de gebruiksnormen voor dierlijke mest, stikstof en fosfaat in 2019. De minister legde aanvankelijk een boete van €641.577,50 op, die later werd gematigd tot €163.500. Eiseres stelde beroep in tegen het handhavingsbesluit van 11 januari 2023.
De rechtbank oordeelde dat de minister bevoegd was de boete bestuursrechtelijk op te leggen en dat eiseres geen recht had op terugwerkende correctie van haar mestboekhouding, omdat de door haar aangevoerde bedrijfsspecifieke gegevens onvoldoende verifieerbaar waren. De rechtbank wees het verzoek om een deskundige in te schakelen af vanwege het ontbreken van verifieerbare gegevens en het punitieve karakter van de boete.
De rechtbank matigde de boete verder vanwege de geringe financiële draagkracht van eiseres, die een betalingsregeling van €1.000 per maand trof, maar waarbij de looptijd van circa 13 jaar onredelijk werd geacht. Ook matigde de rechtbank wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar met circa 21 maanden. De boete werd vastgesteld op €52.500. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.